| 25079 |
langzaam, traag |
lui:
lui (L382p Montfort),
stil:
stil (L382p Montfort)
|
langzaam [lui, traag, stil, telijig] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 34017 |
langzamer |
hou-hou:
hǫu̯ hǫu̯ (L382p Montfort)
|
Voermansroep om het paard langzamer te doen gaan. [N 8, 95h en 96]
I-10
|
| 19599 |
lantaarn |
lantaarn:
lantèr (L382p Montfort)
|
lantaarn [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 18222 |
lap |
lap:
lap (L382p Montfort, ...
L382p Montfort)
|
sterke doek of stof [lap, vel, lel, del] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 31291 |
lasapparaat |
lasapparaat:
las˱aparāt (L382p Montfort)
|
In het algemeen een toestel om te lassen. Zie ook de toelichting bij het lemma "wellen, lassen". Met de meer algemene woordtypen lasapparaat, schweissapparat (d.) en laspost zal wel vaak een autogeen lasapparaat bedoeld worden. Zie ook afb. 42. [N 33, 188-189; monogr.]
II-11
|
| 31292 |
lasbrander |
lasbrender:
las˱bręnjǝr (L382p Montfort)
|
Lasapparaat dat bestaat uit een metalen buis met tuitvormig mondstuk en twee toevoerleidingen, één voor de brandstof en één voor het verbrandingsmiddel (meestal zuurstof). Als brandstof kan waterstof, lichtgas of acetyleengas worden gebruikt. Zie ook afb. 43. [N 33, 190; monogr.]
II-11
|
| 31296 |
laskap, lashelm |
schermkap:
šɛrǝmkap (L382p Montfort)
|
Metalen kap met donkergroen ruitje waarmee tijdens het elektrisch lassen hoofd en ogen tegen straling en metaalspetters beschermd worden. De laskap wordt met één hand vastgehouden, de lashelm wordt op het hoofd gezet. Zie ook afb. 46. [N 33, 192]
II-11
|
| 31295 |
lasstaaf |
elektrode:
ēlɛktrōdǝ (L382p Montfort)
|
De metalen staaf die bij het elektrisch lassen van metalen als laselektrode dient. De laselektrode smelt daarbij ook en voegt zo metaal toe waarmee de lasnaad wordt opgevuld. De elektrode is ommanteld met een stof die als een soort vloeimiddel fungeert. Tijdens het lassen verdampt een deel daarvan en vormt een gas dat het gesmolten metaal tegen oxidatie beschermt. Op de lasnaad wordt een slak gevormd die met behulp van de lasbikhamer kan worden weggekapt. Zie ook afb. 45. [N 33, 191; monogr.]
II-11
|
| 18933 |
last, moeilijkheid |
last:
last (L382p Montfort)
|
het moeilijk zijn [slameur, last] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18980 |
laster |
laster:
laster (L382p Montfort, ...
L382p Montfort)
|
het schenden van iemands goede naam [achterpraat, achterklap, laster] [N 85 (1981)] || laster [SGV (1914)]
III-1-4
|