| 23583 |
meerstemmige mis |
meerstemmige mis:
meerstummige mes (L382p Montfort),
mieerstummige mes (L382p Montfort),
muziekmis:
muziekmes (L382p Montfort)
|
Een meerstemmige mis, muziekmis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21273 |
meester |
meester:
meister (L382p Montfort),
mɛ.istər (L382p Montfort)
|
(school)meester [RND] || meester [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 22496 |
meetje steken |
cent steken:
cent steke (L382p Montfort),
centje steken:
centje steke (L382p Montfort)
|
Het spel waarbij men centen werpt in een bepaald vak [meetje steken, mitjezzen, flikken]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 31342 |
meetlat, duimstok |
maatlat:
mǭtlat (L382p Montfort)
|
Een in centimeters en/of duimen (inches) verdeelde maatstok van hout of metaal. Het woordtype zollstock (Q 116, Q 121c) duidt een vouwbare meetlat ter lengte van een meter of meer aan die men in de broekzak kan opbergen. Zie ook afb. 74. [N 33, 263; N 64, 84; N 66, 3; monogr.]
II-11
|
| 21882 |
meevaller |
bijvalletje:
bievelke (L382p Montfort),
meevaller:
mitvaller (L382p Montfort)
|
een voordeel dat bij toeval verkregen wordt [trek, roef, roefel, brentje, hasard, bijval] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 22458 |
mei |
mei:
mei (L382p Montfort, ...
L382p Montfort)
|
De tak, struik of vlag die geplaatst wordt op huizen in aanbouw. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22452 |
meiboom |
mei:
męj (L382p Montfort),
meiboom:
meibaom (L382p Montfort),
meiboam (L382p Montfort)
|
De omstreeks 1 mei op het dorpsplein opgerichte boom die, met linten en kransen versierd, het middelpunt van allerlei volksvermaken vormde [meiboom]. [N 88 (1982)] || Versierde tak, kleine boom of vlag die op de nok van een onderdak gebracht huis wordt geplaatst. [N 88, 183; monogr.]
II-9, III-3-2
|
| 33337 |
meid, dienstmeid |
dienstbode:
dēnstbōi̯ (L382p Montfort),
maagd:
māt (L382p Montfort),
māx (L382p Montfort)
|
Meid is een noordelijke vorm, een samentrekking uit maged, maagd. Kok en keukense slaan op de keukenmeid. Dienstbode is een expansie uit de (Noord-)Nederlandse standaardtaal. [L 1, a-m; L 1u, 156; L 38, 10; RND 118; R 12, 30; S 6 en 23; Wi 6; monogr.]
I-6
|
| 24582 |
meidoorn |
doornheg:
döreheg (L382p Montfort)
|
haagdoorn [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24331 |
meikever |
meikever:
meikever (L382p Montfort),
mekever (L382p Montfort),
WLD
meikèvər (L382p Montfort),
meikeverd:
meikaevert (L382p Montfort)
|
Hoe noemt u de meikever: een soort kever, 24-30mm lang; met dekschild, de poten en sprieten zijn bruinrood, de kop en het borststuk zwart met op de onderzijde een dichte witte beharing; de buiksegmenten zijn zwart met aan elke zijde een opvallende, helwit [N 83 (1981)] || meikever [SGV (1914)] || meikever, algemeen [DC 18 (1950)]
III-4-2
|