| 34580 |
zijladder |
leiers:
lęi̯ǝrǝ (L382p Montfort)
|
Ladderachtige zijkant van de hooikar. De zijladder bestaat uit een aantal sporten, die twee ladderbomen verbinden. Een gedeelte van dit materiaal werd al behandeld in wld I.3, maar wordt hier volledigheidshalve herhaald en aangevuld. [N 17, 12a + 30b + 40 + 46b + add; JG 1a; JG 1b; JG 1c; JG 1d; A 26, 2a; Lu 4, 2a; monogr.]
I-13
|
| 32947 |
zijladders van de oude kar |
ledders:
lęi̯ǝrǝ (L382p Montfort)
|
De open ladderachtige constructies aan de zijkanten van de oude hooikar. Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf en afbeelding 16, de foto''s a en b. Het lemma bevat alleen meervouden. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel øhooiŋ zie het lemma ''hooi''.' [N 17, 12a en 30b; A 26, 2a; Lu 4, 2a]
I-3
|
| 18028 |
zijn neus snuiten |
snoeven:
snoeve (L382p Montfort)
|
snuiten: zijn neus snuiten [sneuve, snutte] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 23804 |
zijn pasen doen |
pasen houden:
paösje hawwe (L382p Montfort),
zijn pasen houden:
ziene paose haje (L382p Montfort)
|
De Paascommunie doen [de oeëster hauwe]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23805 |
zijn pasen houden |
zijn pasen houden:
ziene paose haje (L382p Montfort)
|
Zijn Paasplicht vervullen, zijn Pasen houden, d.w.z. in de Paastijd, rond Pasen te biecht en te Communie gaan [ziene paose ha.lde, zien Paoskemunie doon]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19348 |
zijn tevredenheid betuigen |
meeleven:
mitlèvə (L382p Montfort),
spa (du.) hebben aan:
heetj dao spas aan (L382p Montfort),
stuiten:
stute (L382p Montfort),
stuutə (L382p Montfort)
|
genoegen hebben om het geluk van iemand anders [ergens in gruien, grunselen] [N 85 (1981)] || zijn tevredenheid betuigen, zijn tevredenheid kenbaar maken [stuiten] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19221 |
zijn woede luchten |
kalmeren:
kalmeren (L382p Montfort),
zich loslaten:
sig los laotə (L382p Montfort)
|
zijn woede proberen kwijt te raken door iets te doen of te zeggen [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 23360 |
zijpad |
zijgang:
ziegank (L382p Montfort),
ziegäng (L382p Montfort),
zijpad:
ziepäj (L382p Montfort)
|
Elk van beide zijgangen [zijpad?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24725 |
zijtak |
zijtak:
zie-tak (L382p Montfort),
WLD
zietàk (L382p Montfort)
|
Een zijtak (uittak, bezijden tak. [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 27824 |
zijwand |
bred:
brē̜t (L382p Montfort),
bredden:
bręi̯ǝr (L382p Montfort),
karrenplanken:
kɛrǝplɛŋk (L382p Montfort),
planken (mv.):
plɛŋk (L382p Montfort),
zijplanken:
zīplɛŋk (L382p Montfort)
|
Elk van de zijkanten van een kar, wagen of kruiwagenbak. Herhaaldelijk worden in het materiaal speciaal de zijkanten van een hoogkar vermeld, die afgenomen kunnen worden. De zijwanden van de slagkar, die samen met de voorwand een vast geheel vormen, krijgen vaak geen aparte naam. De zijplanken zijn horizontale planken die tegen verticale rongen staan en waarop verhoogsels gezet kunnen worden. De woordtypes kist, mouw, komp en korf, die thans "elk van de twee zijwanden" betekenen, zijn oorspronkelijk termen voor de kar- of wagenbak als geheel. De benamingen voor dit geheel worden behandeld in het lemma bak. De meer specifieke benamingen voor de zijwanden van de kruiwagen worden onder het betreffende lemma behandeld. [N 17, 30a + 40 + 46a + add; N G, 53c + 60 a-b; JG 1a; JG 1b; JG 1c; JG 1d; JG 2a; JG 2b; JG 2c; A 26, 2b; Lu 4, 2b; monogr.]
I-13
|