| 31592 |
hoefstal, noodstal |
hoefgestel:
huf˲gǝštɛl (Q253p Montzen),
hoefstal:
hufštāl (Q253p Montzen)
|
Een uit houten planken of metalen buizen vervaardigd gestel dat vóór of in de smidse is opgesteld. Wanneer een paard moet worden beslagen, wordt het in de hoefstal geplaatst. Zie ook afb. 220. [N 33, 6; N 33, 374; S 14; L 1a-m; L 1u, 96; L B2, 278; A 43, 15; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
II-11
|
| 25008 |
hoek (tussen twee lijnen) |
hakenpak:
hakepak (Q253p Montzen),
hoek:
huk (Q253p Montzen)
|
hoek [ZND 01 (1922)]
III-4-4
|
| 22871 |
hoekschop |
corner (eng.):
Karte 168.
kornər (Q253p Montzen)
|
Eckball.
III-3-2
|
| 17763 |
hoektand |
oogtand:
oowteng (Q253p Montzen),
owtand (Q253p Montzen)
|
oogtanden [ZND 07 (1924)]
III-1-1
|
| 22358 |
hoepel |
reep:
rêp (Q253p Montzen)
|
Een hoepel (ijzeren of houten ring die door de kinderen voortgedreven wordt). [ZND 27 (1938)]
III-3-2
|
| 18307 |
hoge herenschoen |
hoge schoen:
Afbeelding 206.
huəgə šōn (Q253p Montzen)
|
Hoe noemt u in het algemeen het meestal leren voetbekleedsel met hak dat tot iets hoger dan de enkels kan komen (schoen?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 18352 |
hoge rijgschoen |
halve schoen:
hōvə šōn (Q253p Montzen)
|
De halfhoge schoen die indertijd door iedereen werd gedragen? (bottine?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 18350 |
hoge schoen met elastieken tussenstukken |
hoge schoen met een schacht van n stuk:
huəgə šōn met ənə šɛxt van ē štøk (Q253p Montzen)
|
Een bottine waarvan het overleer uit een stuk bestond. Aan beide zijden van de schoen was een lap elastiek verwerkt. Zie tek. 206c (eenstuksbottine, elastiekbottine?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 30826 |
hol |
brug:
brøk (Q253p Montzen)
|
Het smalle middenstuk van de zool van een schoen dat hoger ligt dan de rest van de zool; het gedeelte waar zich de holte van de voet bevindt. [N 60, 89a]
II-10
|
| 30947 |
holpijpje |
doorslager:
dørǝxšlę̄gǝr (Q253p Montzen)
|
Een stalen staafje dat van onderen een scherp gerand kokertje vormt. Hiermee kan men gaatjes in het leer slaan. Zie afb. 26. [N 60, 46a]
II-10
|