e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
huiszegening huiszegening: dər husɛ̄nəŋ (Montzen) De huiszegening op Driekoningen of op Paaszaterdag. [N 96B (1989)] III-3-3
huppelen huppelen: huppele (Montzen) Huppelen: met kleine sprongetjes zich voortbewegen (hippen, hoppen, huppen, huppelen) [N 108 (2001)] III-1-2
hurken zich op de hukken zetten: ha zit zech op en hoeke (Montzen) hij hurkte neer [ZND 01u (1924)] III-1-2
huurpenning godspenning, enz.: métpenneng (Montzen) Wordt er aan de nieuwe dienstboden een handgeld gegeven? Hoe heet dit? meepenning [ZND 01u (1924)] III-3-1
huwelijk trouw, de -: trou (Montzen) huwelijk [ZND 01 (1922)] III-2-2
huwelijksafkondigingen roepen: enkelvoud: der roop  də røp (Montzen) De huwelijksafkondigingen, huwelijksgeboden, de "roepen", de "geboden". [N 96D (1989)] III-3-3
huwelijksexamen trouwexamen: ət trowɛkzāmə (Montzen) Het huwelijksexamen bij de pastoor. [N 96D (1989)] III-3-3
huwelijksmis trouwmis: də trowmēs (Montzen) De huwelijksmis, bruidsmis [broedsmaes]. [N 96D (1989)] III-3-3
iemand uitschelden schelden: šēͅlə (Montzen), uitschelden: ûtsēle (Montzen), ûtšule (Montzen) Op iem. schelden, iem. uitschelden. Geef de gemeenzame uitdrukkingen op en zet tussen twee haakjes welke als "gemeen"of "plat"beschouwd worden. [ZND 34 (1940)] III-1-4
ijlen durchein (du.) kallen: dørəgē kalə (Montzen) Ijlen: door koorts verward, onsamenhangend spreken (ijlen, bazelen, raaskallen, baageren, dolen). [N 107 (2001)] III-1-2