| 23754 |
huiszegening |
huiszegening:
dər husɛ̄nəŋ (Q253p Montzen)
|
De huiszegening op Driekoningen of op Paaszaterdag. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17956 |
huppelen |
huppelen:
huppele (Q253p Montzen)
|
Huppelen: met kleine sprongetjes zich voortbewegen (hippen, hoppen, huppen, huppelen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 17959 |
hurken |
zich op de hukken zetten:
ha zit zech op en hoeke (Q253p Montzen)
|
hij hurkte neer [ZND 01u (1924)]
III-1-2
|
| 21333 |
huurpenning |
godspenning, enz.:
métpenneng (Q253p Montzen)
|
Wordt er aan de nieuwe dienstboden een handgeld gegeven? Hoe heet dit? meepenning [ZND 01u (1924)]
III-3-1
|
| 20429 |
huwelijk |
trouw, de -:
trou (Q253p Montzen)
|
huwelijk [ZND 01 (1922)]
III-2-2
|
| 24049 |
huwelijksafkondigingen |
roepen:
enkelvoud: der roop
də røp (Q253p Montzen)
|
De huwelijksafkondigingen, huwelijksgeboden, de "roepen", de "geboden". [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24048 |
huwelijksexamen |
trouwexamen:
ət trowɛkzāmə (Q253p Montzen)
|
Het huwelijksexamen bij de pastoor. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23516 |
huwelijksmis |
trouwmis:
də trowmēs (Q253p Montzen)
|
De huwelijksmis, bruidsmis [broedsmaes]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19089 |
iemand uitschelden |
schelden:
šēͅlə (Q253p Montzen),
uitschelden:
ûtsēle (Q253p Montzen),
ûtšule (Q253p Montzen)
|
Op iem. schelden, iem. uitschelden. Geef de gemeenzame uitdrukkingen op en zet tussen twee haakjes welke als "gemeen"of "plat"beschouwd worden. [ZND 34 (1940)]
III-1-4
|
| 17995 |
ijlen |
durchein (du.) kallen:
dørəgē kalə (Q253p Montzen)
|
Ijlen: door koorts verward, onsamenhangend spreken (ijlen, bazelen, raaskallen, baageren, dolen). [N 107 (2001)]
III-1-2
|