| 17603 |
kaakbeen(rand) |
raak:
rāk (Q253p Montzen),
Boven.
də øvəṣtə rāk (Q253p Montzen),
Onder.
də ønəṣtə rāk (Q253p Montzen)
|
Een kinnebak: kaakbeenderen (kinnebak, kinnebakkes, geschaar) [N 106 (2001)] || Kaakrand waarin de tanden staan (kaakbeen, raak) [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 17604 |
kaakgestel |
gebit:
gəbet (Q253p Montzen)
|
Kaak: Beide kaken tezamen (kakement, schaar, kaken). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 17743 |
kaal (zijn), kaal hoofd |
kletskop:
klɛtṣkop hā (Q253p Montzen),
plaat:
ən plɛ̄t hā (Q253p Montzen)
|
Kaal hoofd [hebben] (kletskop, plaat - ANDERE UITDRUKKINGEN: bv. volle maan, maan schijnt, biljartbal e.d.). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 21047 |
kaam |
kaam/kamen:
kø̜̄m (Q253p Montzen)
|
Het wit gerimpeld of vlokkig vlies op wijn, bier, azijn, etc. dat wordt gevormd door een spruit- of gistzwam. [S 16; L 1 a-m; L 27, 53; monogr.]
II-2
|
| 20768 |
kaantjes |
grieven:
grī:f (Q253p Montzen),
krappen:
krape (Q253p Montzen),
krappe (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
schinkgreven:
schenkgreve (Q253p Montzen)
|
Hoe heten de vetklonters, die overblijven, als runds of varkensvet wordt gesmolten? (kaan) [ZND 02 (1923)] || vetklonters die overblijven bij het smelten van runds- of varkensvet [N 06 (1960)]
III-2-3
|
| 19791 |
kaars |
kaars:
kēa.ts (Q253p Montzen)
|
kaars [RND]
III-2-1
|
| 23406 |
kaarsenbak |
kaarsenluchter:
dər kɛətsəluətər (Q253p Montzen)
|
De houder, waarin brandende kaarsen gezet kunnen worden, meestal voor een heiligenbeeld [kaarsenbak?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23596 |
kaarsendover |
kaarsenhorentje:
ət kɛətsəhøənkə (Q253p Montzen)
|
De kaarsenaansteker en -dover: een lange stok voorzien van een hoorntje om kaarsen te doven, en een aangehechte wasdraad om kaarsen aan te steken [domper, doofhoedje, kaarsenhoorntje, kaarsenaansteker?] . [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23598 |
kaarsenpit |
wiek:
də wèk (Q253p Montzen)
|
De katoenen draad in het midden van een kaars [pit, wiek, lemmet?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22505 |
kaarten (ww.) |
kaarten:
ka:tə (Q253p Montzen),
1. pote
kâte (Q253p Montzen)
|
kaarten [RND] || Kaarten (ww.) [ZND m]
III-3-2
|