e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
metselaar maçon: masoŋ (Montzen  [(jonger dan mȳǝrǝr)]  ), murer: mȳǝrǝr (Montzen) Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld] II-9
metselen muren: mūrǝ (Montzen) Bij de bouw van stenen huizen met behulp van mortel de afzonderlijke stenen tot een samenhangend, vast geheel verbinden. [Wi 57; S 23; L 1a-m; L 31, 21; N 30, 1b; monogr.] II-9
middag (s middags) middag: médex (Montzen), ps. bij benadering omgespeld volgens Frings.  mi.d.əx (Montzen), noen: nōn (Montzen), nóón (Montzen), ps. letterlijk overgenomen; onder de Ë staat nog een staartje, deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.  nū:n (Montzen) middag [RND], [ZND 38 (1942)] III-4-4
middagmaal middag, de -: med.ax (Montzen) namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 12 uur 15 [ZND 18G (1935)] III-2-3
middelvinger middelste vinger: dər medəlstə veŋər (Montzen) Middelvinger: de middelste, langste vinger (middelvinger, middelste vinger, langeman, lang(st)e vinger). [N 106 (2001)] III-1-1
middenpad grote gang: der gruëte gāŋk (Montzen) De hoofdgang, de middengang van de kerk [middenpad?]. [N 96A (1989)] III-3-3
middenrif diafragma: diafraxmə (Montzen) Middenrif: spierachtig vlies tussen borst- en buikholte (rand, middenrif, middelrif, middelvlies). [N 106 (2001)] III-1-1
middenschip middenschip: et medesjef (Montzen) De hoofdruimte, de grote middelruimte van een kerkgebouw [schip, langschip, middenschip, middelsjeep?]. [N 96A (1989)] III-3-3
mier amezeik: ook in ZND 08, 152a  oamezék (Montzen) mier [ZND 01 (1922)] III-4-2
mikken mikken: mikə (Montzen), ogen: ø:gə (Montzen) lonken (mikken) [RND] III-3-2