e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
mopperen brommen: brome (Montzen) brommen [ZND m] III-1-4
morgengebed morgensgebed: ət mørəgəsgəbɛt (Montzen) Het morgengebed, morgensgebed [merge-gebed, mergensgebed, mörge-gebed, mörreje-jebed?]. [N 96B (1989)] III-3-3
morsen slabberen: sjlabərə (Montzen) Morsen: met vuiligheid knoeien (morsen, knoeien, slabben, brassen) [N 108 (2001)] III-1-2
motor moteur: motø͂ͅr (Montzen) motor [RND] III-3-1
motregen, fijne regen sniffel: ps. omgespeld volgens Frings.  šni.fəl (Montzen), ps. onder de s moet nog een puntje staan  snéfel (Montzen) motregen [ZND m] || stofregen [ZND 38 (1942)] III-4-4
motregenen, licht regenen fiezelen: vézele (Montzen, ... ), sniffelen: snifəlen (Montzen), snéfele (Montzen, ... ) motregenen [ZND m] || stofregenen [ZND 38 (1942)] III-4-4
mout malt: mals (Montzen) Het op de eest of eestvloer gedroogde en eventueel geroosterde graan. Zie ook de semantische toelichting bij het lemma ''eesten''. [N 35, 20; L 1a-m; L 1u, 166; S 5; Jan 14d; monogr.] II-2
mouw mouw: mou (Montzen), mow (Montzen, ... ) de mouw [N 59 (1973)] || mouw [ZND m] || Mouw van bijv. een colbert of japon. [N 59, 126; N 62, 34a; MW] II-7, III-1-3
mouwen ter bescherming mouwen: (enk)  mow (Montzen) Soort mouwtjes al of niet met handschoen, die sommige imkers als extra bescherming dragen. [N 63, 75b] II-6
mouwkop ovenste van de mouw: ø̜vǝštǝ van dǝr mow (Montzen) Het gedeelte van de mouw van het colbert dat in de armsgatuitsnijding wordt ingewerkt. [N 59, 128] II-7