| 18961 |
rechtvaardig |
recht:
rèât (Q253p Montzen),
rechtvaardig:
rejətvejədich (Q253p Montzen),
rädvädege (Q253p Montzen),
rätvädeg (Q253p Montzen)
|
Rechtvaardig. [ZND 06 (1924)]
III-1-4
|
| 24082 |
rector |
rector (lat.):
ənə rɛktər (Q253p Montzen)
|
Een rector, de geestelijk leider van een klooster of gesticht. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 28488 |
redcel |
noodcel:
nuǝtsɛl (Q253p Montzen)
|
Gewone werkbijcel die ontwikkeld wordt tot koninginnecel of moerdop, als het bijenvolk moerloos is geworden of dreigt te worden. Deze redcel of nooddop wordt midden op de raat gebouwd. [N 63, 26b; Ge 37, 50]
II-6
|
| 25083 |
reeks, rij |
rij:
re.i‧ (Q253p Montzen),
ps. letterlijk overgenomen.
ri‧i (Q253p Montzen)
|
rij [ZND 19A (1936)], [ZND m]
III-4-4
|
| 25171 |
regen (alg.) |
regen:
rēͅ:n (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
r‧ēͅn (Q253p Montzen)
|
regen [ZND m]
III-4-4
|
| 25183 |
regenen (alg.) |
regenen:
rēͅ:nə (Q253p Montzen)
|
regenen [ZND m]
III-4-4
|
| 18554 |
regenjas |
regenmantel:
rēnmantəl (Q253p Montzen)
|
een regenmantel [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 24308 |
regenworm |
vressem:
vrésem (Q253p Montzen),
worm:
wörem (Q253p Montzen),
wø͂.rəm (Q253p Montzen),
NOL, muv Q 199 en Q 282
wø.rəm (Q253p Montzen)
|
dauwworm [ZND m] || pier, aardworm [ZND 14 (1926)] || worm, alg. [ZND m]
III-4-2
|
| 17904 |
reiken naar |
reiken naar:
rekə (Q253p Montzen)
|
Reiken, met de handen naar iets reiken (naar iets pakken, grijpen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 28559 |
reinigingsvlucht |
reinigungsvlucht:
renǝgoŋsvløxt (Q253p Montzen)
|
Vlucht die de bijen ondernemen om de uitwerpselen uit hun lichaam te verwijderen. In de winter hopen zich de onverteerbare resten van het voedsel op in de endeldarm. Wanneer de grens van het zich ophopen is bereikt, dan moeten de bijen zich ontlasten. Zodra de temperatuur na de winter voor het eerst weer 8 à 10 oC is geworden, vliegen de bijen uit om zich van het opgespaarde vuil te ontdoen. [N 63, 56a; Ge 37, 195]
II-6
|