| 24230 |
restant vogels |
rls:
geen aanknoping
rûläs (Q253p Montzen)
|
grashoen [ZND m]
III-4-1
|
| 24295 |
restant zoogdieren |
deem:
dɛ̄m (Q253p Montzen),
pels:
pê.ls (Q253p Montzen),
tand:
muv Q 261-3 en 284
tâ.nt (Q253p Montzen),
vreten:
vreͅə.tə (Q253p Montzen)
|
speen, tepel [ZND m] || tand || vel, pels ve dier [ZND m] || vreten [ZND m]
III-4-2
|
| 23674 |
retraite |
retraite (fr.):
də retrɛ̄t (Q253p Montzen)
|
Enige dagen van geestelijke afzondering en gebed in een klooster of een daarvoor bestemd huis [retraite?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18265 |
revers |
revers:
rǝvē̜r (Q253p Montzen),
revers (fr.):
dər rəvɛ̄r (Q253p Montzen)
|
de omslag van de kraag op de borst (revers?) [N 59 (1973)] || De omslag van de kraag op de borst. [N 59, 124; N 62, 31d; MW]
II-7, III-1-3
|
| 32840 |
riek of schop om mestplakken en molshopen te verspreiden |
flattenschup:
flatǝšøp (Q253p Montzen)
|
Termen die niet op een speciaal bij de verspreiding van mestplakken of molshopen gebruikte riek of schop wijzen, zijn aan het eind van het lemma slechts in de woordtypevorm vermeld. Voor de dialectvarianten daarvan zie men de lemmata ''mestriek'' en ''spade, spitschop'', alsmede de schopbenamingen in I.4 onder "gereedschap en gerei in het algemeen". [N 14, 81; N 18, 29; div.]
I-2
|
| 32583 |
riek, mestriek |
gaffel:
ga.fǝl (Q253p Montzen)
|
Een riek die vroeger vaak drie, tegenwoordig meestal vier tanden telt en die gebruikt wordt om de stallen uit te mesten, mest te laden en mest te verspreiden op het land, ook om aardappelen te rooien, aardkluiten fijn te maken e.d. Voorzover het materiaal daaromtrent gegevens bevatte, is in dit lemma achter de plaatsnummers melding gemaakt van het aantal tanden dat de (mest)riek ter plaatse telde. Benamingen van de (mest)riek naar het aantal tanden vormen de tweede helft van dit lemma. Niet opgenomen zijn namen voor een drietandige vork, die blijkens de opgave gebruikt werd om graanschoven en/of hooi op te steken, noch benamingen voor de vijf- of zestandige riek die - met of zonder bolletjes aan de tanden - dient om bieten of aardappelen op te scheppen. [N 5A, 50b; N 11, 28; N 11A, 13a + c; N 14, 81 add.; N 18, 23 + a + b; N 18, 24 add.; JG 1a + 1b; A 28, 4a + b; Av 1, III 5; L B2, 242; L 16, 18b; Gi 2, 179; Lu 6, 4a + b; S 29; Gwn 8, 3; Wi 3 add.; div.; monogr.]
I-1
|
| 18546 |
rijbroek |
rijboks:
rijboks (Q253p Montzen)
|
een rijbroek [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 21130 |
rijden |
rijden:
ri.i.ə (Q253p Montzen),
rijə (Q253p Montzen)
|
rijden [ZND m], [ZND m]
III-3-1
|
| 18386 |
rijgbottine |
rijgschoen:
rejšōn (Q253p Montzen)
|
Een bottine met veters? (rijgbottine?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 30850 |
rijgels |
kromme zuil:
krom zyl (Q253p Montzen)
|
De gebogen els, wat groter dan de spanels, die voor allerlei rijgwerk dient. Zie afb. 4. [N 60, 176b]
II-10
|