| 28973 |
rijgen |
trochelen:
trǫxǝlǝ (Q253p Montzen),
troggelen:
trogǝlǝ (Q253p Montzen)
|
Het voorlopig verbinden van een of twee delen aan elkaar met de rijgsteek, op tafel of op de hand. [N 59, 52b; N 59, 51a; N 59, 51b; N 62, 6; N 62, 7; L 1a-m; L 1u, 41; L B1, 75; Gi 1.IV, 19; MW; S 7; monogr.]
II-7
|
| 28853 |
rijggaren |
trochelgaren:
trǫxǝlgān (Q253p Montzen)
|
Grover soort garen, die men gebruikt om de patroondelen voorlopig aan elkaar vast te naaien (Gerritse, pag. 37). De antwoorden van de informanten zijn in twee delen gesplitst. De eerste groep bestaat uit woordtypen waarvan men het gebruik van het garen kan afleiden. De tweede groep woordtypen geeft niet alleen het gebruik aan, maar ook het materiaal waarmee men werkt. [N 59, 6b; N 62, 57; monogr.]
II-7
|
| 28974 |
rijgsteek |
trochelsteek:
trǫxǝlštiǝk (Q253p Montzen)
|
Zie afb. 31. [N 59, 52a; N 62, 16a; N 62, 6]
II-7
|
| 21590 |
rijk |
rijk:
rîk (Q253p Montzen)
|
rijk (zijn) [ZND m]
III-3-1
|
| 21269 |
rijkdom |
rijkdom:
ri.gdu.m (Q253p Montzen)
|
rijkdom [RND]
III-3-1
|
| 21476 |
rijksveldwachter |
champet (<fr.):
sampét (Q253p Montzen)
|
veldwachter [ZND m]
III-3-1
|
| 20816 |
rijp |
rijp:
rīēp (Q253p Montzen)
|
rijp [RND]
III-2-3
|
| 25186 |
rijp, rijmx |
grevel:
grével (Q253p Montzen),
ijzel:
issel (Q253p Montzen),
rouwvrost:
roowvroos (Q253p Montzen),
rouwvroos (Q253p Montzen)
|
rijm (rijp, ijzel) [ZND 06 (1924)]
III-4-4
|
| 33509 |
rijshout, bonenstaak |
erwtenrijs:
erterīs (Q253p Montzen),
rijs:
rizer (Q253p Montzen),
rīəs (Q253p Montzen)
|
Erwtenrijzers, twijgen waartegen bepaalde erwten groeien [N P (1966)], [ZND 06 (1924)]
I-7
|
| 29012 |
rimpelen, fronsen |
ronselen:
rø̄nšǝlǝ (Q253p Montzen)
|
Al plooiend rijgen. Rimpelen is het uitrekken van een hoeveelheid stof tot een vooraf bepaalde kortere lengte, langs één of meer stiklijnen, waarbij de ruimte wordt verdeeld in gelijke, soepele plooitjes (Het Beste Naaiboek, pag. 178). Bij fronsen wordt de ruimte over een bredere afstand verdeeld dan bij rimpelen. Zie afb. 46. [N 59, 53; N 62, 12a; N 62, 30; Gi 1.IV, 34; MW; monogr.]
II-7
|