| 20655 |
rode kool |
rood moes:
roee moos (Q253p Montzen),
roeë moos (Q253p Montzen)
|
Rode kool (als plant of gewas) [N Q (1966)] || rode kool als gerecht [N Q (1966)]
I-7, III-2-3
|
| 31067 |
roefelen |
de knuppel met de bout inwrijven:
dǝr knøpǝl met dǝr bōt ę̄vrīvǝ (Q253p Montzen)
|
Het bewerken van de hak en de hakrand met behulp van een roefelkei. [N 60, 133b]
II-10
|
| 31066 |
roefelkei |
bout:
bōt (Q253p Montzen)
|
Een gladde kei of kiezelsteen waarmee men met kracht het zwartsel in het leer wrijft. [N 60, 133a]
II-10
|
| 22755 |
roep bij verstoppertje spelen |
koek:
koek (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
koekepiep:
koekepîp (Q253p Montzen),
koekepoep:
koekepoep (Q253p Montzen),
koekoek:
koekoek (Q253p Montzen)
|
Wat roepen de kinderen als ze verborgen zijn? [ZND 06 (1924)]
III-3-2
|
| 34528 |
roep- en lokwoord voor de kip |
tok, tok:
tok, tok (Q253p Montzen)
|
Naast de verschillende roepwoorden kan men de kippen ook lokken door een zuigend klappend geluid te maken met de tong tegen de tanden (P 176 (Sint-Truiden)) of door te fluiten (Q 2 (Hasselt)). [N 19, 44a; L 47, 9a; A 6, 2b; A 6, 2a; VC 14, 2n -r-; Vld.; L B2, 259a; monogr.]
I-12
|
| 21362 |
roepen |
roepen:
rūpə (Q253p Montzen)
|
roepen [ZND m]
III-3-1
|
| 24034 |
roeping |
vokation (du.):
də vokasiuən (Q253p Montzen)
|
Roeping. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 28568 |
roer |
drijt:
drīt (Q253p Montzen),
roer:
rūr (Q253p Montzen)
|
Dysentrie of diarree. Wanneer de bijen te lang moeten overwinteren door koud weer, kan het zijn dat de reinigingsvlucht niet plaatsvindt. De afvalstoffen hopen zich op in de endeldarm. De bijen zien zich genoodzaakt zich te ontlasten in de woning met als mogelijk gevolg buikloop. Tegenwoordig wint de mening terrein dat roer geen aparte ziekte is, maar een begeleidend verschijnsel van de ziekte nosema (De Roever, pag. 439). [N 63, 71a; Ge 37, 204]
II-6
|
| 20819 |
roeren |
roeren:
rø̄rǝ (Q253p Montzen)
|
Het kokende sap omroeren. [N 57, 26]
II-2
|
| 25730 |
roerspaan |
plet:
plęt (Q253p Montzen)
|
De koperen driehoekige spaan of de houten spaan waarmee in de ketel wordt geroerd en waarmee stroopresten uit de ketel kunnen worden verwijderd. Zie afb. 25. De "siroopkretser" (Q 32) en het "palet" (Q 249) waren van koper vervaardigd, de "roerlepel" (L 379), het "roerhout" (L 295), de "roerspaan" (Q 32) en de "plet" (Q 253) van hout. Volgens de invuller uit L 295 was het "roerhout" van hout gemaakt om beschadiging van de koperen ketel te voorkomen. Het diende om de ingedikte massa te roeren en zo voor aan-koeken te vrijwaren. Bovendien ontstond er door de roerbeweging meer verdamping. De "plets" uit Q 32 had de vorm van een schoffel. [N 57, 25a; N 57, 25b]
II-2
|