e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
ruggengraat ruggengraat: røgəgrāt (Montzen) Ruggegraat (ruggestrank, rozenkrans). [N 109 (2001)] III-1-1
ruggenwervel wervel: wɛrvəl (Montzen) Wervel van de ruggegraat (welver). [N 109 (2001)] III-1-1
rugkant rug: røk (Montzen) De rug of rugkant van een mes. [N 60, 175b] II-10
ruien moeten: mūtə (Montzen) veer: elk der huidbekleedsels van een vogel bestaande uit een buisje dat aan weerszijden baarden en baardjes draagt (pluim, veer) [N 100 (1997)] III-4-1
ruiken ruiken: ry(3)̄kø (Montzen), ry.kə (Montzen) rieken [ZND 25 (1937)] || Rieken: door middel van reukzin gewaarworden (rieken, ruiken) [N 108 (2001)] III-1-1
ruilen (als spel) tuisen: tŭ.šə (Montzen), tŭsə (Montzen), Ruilen.  tûsche (Montzen), wisselen: wèsələ (Montzen) Ruilen. [ZND m], [ZND m] || Tuischen, vertuischen. (Gebruikt men deze woorden en in welke beteekenis: ruilen, verkoopen, schacheren, kaartspelen, enz.?) [ZND 08 (1925)] III-3-2
ruimte onder de toren onder de toren: de plātsj onder gene tòën (Montzen) De ruimte onder een naast de kerk staande toren. [N 96A (1989)] III-3-3
ruin wallach (du.): walax (Montzen) Gecastreerde hengst. Als de veulens één à twee jaar zijn en de ballen voldoende gezakt en zichtbaar in de balzak zijn, worden zij gecastreerd. Een hengst van drie tot vijf jaar die om de een of andere reden op deze leeftijd nog gecastreerd wordt, wordt meestal gesneden hengst en niet ruin genoemd. [JG 1a, 1b; A 4, 2c; L 20, 2c; L 39, 43; N 8, 20 en 38; S 27; monogr.] I-9
ruiten in het kaartspel ruiten: rûten ōs (Montzen) Ruiten: ruiten aas (kaartspel). [ZND 06 (1924)] III-3-2
ruk rop: rup (Montzen) Ruk: snelle, korte beweging waardoor iets of iemand met een schok van zijn plaats wordt getrokken (ruk, snok, roets) [N 108 (2001)] III-1-2