| 17640 |
ruggengraat |
ruggengraat:
røgəgrāt (Q253p Montzen)
|
Ruggegraat (ruggestrank, rozenkrans). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 17641 |
ruggenwervel |
wervel:
wɛrvəl (Q253p Montzen)
|
Wervel van de ruggegraat (welver). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 30847 |
rugkant |
rug:
røk (Q253p Montzen)
|
De rug of rugkant van een mes. [N 60, 175b]
II-10
|
| 21936 |
ruien |
moeten:
mūtə (Q253p Montzen)
|
veer: elk der huidbekleedsels van een vogel bestaande uit een buisje dat aan weerszijden baarden en baardjes draagt (pluim, veer) [N 100 (1997)]
III-4-1
|
| 17737 |
ruiken |
ruiken:
ry(3)̄kø (Q253p Montzen),
ry.kə (Q253p Montzen)
|
rieken [ZND 25 (1937)] || Rieken: door middel van reukzin gewaarworden (rieken, ruiken) [N 108 (2001)]
III-1-1
|
| 22380 |
ruilen (als spel) |
tuisen:
tŭ.šə (Q253p Montzen),
tŭsə (Q253p Montzen),
Ruilen.
tûsche (Q253p Montzen),
wisselen:
wèsələ (Q253p Montzen)
|
Ruilen. [ZND m], [ZND m] || Tuischen, vertuischen. (Gebruikt men deze woorden en in welke beteekenis: ruilen, verkoopen, schacheren, kaartspelen, enz.?) [ZND 08 (1925)]
III-3-2
|
| 23451 |
ruimte onder de toren |
onder de toren:
de plātsj onder gene tòën (Q253p Montzen)
|
De ruimte onder een naast de kerk staande toren. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 33750 |
ruin |
wallach (du.):
walax (Q253p Montzen)
|
Gecastreerde hengst. Als de veulens één à twee jaar zijn en de ballen voldoende gezakt en zichtbaar in de balzak zijn, worden zij gecastreerd. Een hengst van drie tot vijf jaar die om de een of andere reden op deze leeftijd nog gecastreerd wordt, wordt meestal gesneden hengst en niet ruin genoemd. [JG 1a, 1b; A 4, 2c; L 20, 2c; L 39, 43; N 8, 20 en 38; S 27; monogr.]
I-9
|
| 22753 |
ruiten in het kaartspel |
ruiten:
rûten ōs (Q253p Montzen)
|
Ruiten: ruiten aas (kaartspel). [ZND 06 (1924)]
III-3-2
|
| 17885 |
ruk |
rop:
rup (Q253p Montzen)
|
Ruk: snelle, korte beweging waardoor iets of iemand met een schok van zijn plaats wordt getrokken (ruk, snok, roets) [N 108 (2001)]
III-1-2
|