| 23680 |
sacramentsweek |
sacramentsweek:
də sakrəmɛ̄ntswɛək (Q253p Montzen)
|
Een sacramentenweek (iedere dag wordt een ander sacrament behandeld en daarbij passende geestelijke oefeningen gehouden]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23321 |
sacristie |
sacristie:
de sakrestej (Q253p Montzen)
|
Het tegen de kerk aangebouwde vertrek of gebouwtje, waar de priester en de dienaren zich voor de dienst gereedmaken [gerfkamer, sakristij, sacristie?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 28592 |
salpeter |
salpeter:
salpētǝr (Q253p Montzen)
|
Chemische stof waarmee bijen bedwelmd worden. [N 63, 77d, N 63, 77c; N 63, 77b; JG 1b]
II-6
|
| 28591 |
salpeterlap |
lap:
lap (Q253p Montzen),
lommel:
lomǝl (Q253p Montzen),
noddel:
nodǝl (Q253p Montzen)
|
Lap gedrenkt in een waterige oplossing van salpeter of nitraatzout. Hiermee bedwelmt men tijdelijk de bijen, zodat men bepaalde handelingen kan verrichten zonder gestoken te worden. Volgens de informant uit L 330 wordt deze lap daar en in de omgeving reeds lang niet meer gebruikt. In plaats van een lap of vod gebruikt men ook een kaart of papier. [N 63, 77b]
II-6
|
| 21332 |
samenspannen |
tesamenhouden:
di twâj hauwen tezāmə (Q253p Montzen)
|
Die twee heulen samen (spannen samen tegen de anderen) [ZND 26 (1937)]
III-3-1
|
| 23642 |
sanctus |
sanctus (lat.):
dər saŋktus (Q253p Montzen)
|
Het (vaste) misgezang dat op de prefatie volgt, het sanctus. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21037 |
sap |
broei:
brø̄ (Q253p Montzen)
|
De vloeistof die na het zeven overblijft. [N 57, 23a; monogr.]
II-2
|
| 21028 |
saus |
saus:
saos (Q253p Montzen)
|
saus [RND]
III-2-3
|
| 21025 |
savooiekool |
savooi:
savoje (Q253p Montzen),
savooi (Q253p Montzen),
savooie:
savooi (Q253p Montzen)
|
[N Q (1966)] [ZND m]savooie kool als gerecht [N Q (1966)]
I-7, III-2-3
|
| 23230 |
scapulier |
scapulier:
schabeleer (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
schabelé:r (Q253p Montzen),
sjaabəleer (Q253p Montzen),
sjapelier (Q253p Montzen),
ət sjabəlēr (Q253p Montzen)
|
Een scapulier of skapulier: lapjes gewijde stof, door linten of band met elkaar verbonden en (door leken) onder de kleding op borst en rug gedragen [schabbelier, sjabbeleer?]. [N 96B (1989)] || Scapulier (schouderkleed) [skabbeleer]. [N 07 (1961)] || Schapulier. [ZND 06 (1924)]
III-3-3
|