| 23557 |
scheepje voor de wierook |
scheepje:
schefkə (Q253p Montzen)
|
Het scheepje waarin de wierookkorrels worden bewaard [scheepke, schipke, schuitje, sjuutje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18402 |
scheermes |
schaars:
schâsch (Q253p Montzen),
sâs (Q253p Montzen),
scheermes:
e schearmĕts (Q253p Montzen)
|
Scheermes [ZND 06 (1924)]
III-1-3
|
| 17728 |
schemeren van de ogen |
sterren zien:
ṣtɛ̄rə ziə (Q253p Montzen)
|
Schemeren voor de ogen, sterretjes zien (het schemert mij/ voor mijn ogen, ik zie sterren, flimmeren, flikkeren). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 28607 |
schepkorf |
zwermkorf:
žwɛrǝmkø̄rǝf (Q253p Montzen)
|
Klein, breed korfje zonder vlieggat waarmee men de zwerm vangt. In de kop is meestal een stalen ring of een touwtje bevestigd waar de duim door gestoken kan worden en waarmee het korfje eventueel aan een tak gehangen kan worden. [N 63, 84b; N 63, 3g; N 63, 2b; monogr.]
II-6
|
| 17829 |
scheppen |
scheppen:
šø.pə (Q253p Montzen)
|
scheppen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 18298 |
scheren |
rasieren (du.):
razēre (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
scheren:
schēàre (Q253p Montzen),
schäre (Q253p Montzen),
sèāre (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
scheren [ZND m] || scheren [inf.] [ZND 06 (1924)]
III-1-3
|
| 17726 |
scherp kijken |
staren:
ṣtarə (Q253p Montzen)
|
Scherp kijken (turen, staren, ogen). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 27016 |
scherp staan |
spitsbouw:
špetsbōw (Q253p Montzen)
|
Spits toelopen van de raat of raten tijdens het bouwen. De uiteinden van de raten zijn wigvormig. Het scherp staan is een teken dat de jonge raat nog verlengd wordt. [N 63, 16c]
II-6
|
| 29113 |
scheur |
reet:
ret (Q253p Montzen)
|
Scheur in een kledingstuk. Zie wat betreft het woordtype vijf de toelichting bij het lemma ɛwinkelhaakɛ.' [N 59, 192a; N 62, 43b]
II-7
|
| 18069 |
scheurbuik |
gezwollen tandvlees dat bloedt:
Wordt omschreven.
gəẓwolə tāntvlējṣ dat blot (Q253p Montzen)
|
Scheurbuik: ziekte die ontstaat door gemis van vers fruit en verse groente en die zich openbaart door zwellingen en bloedingen van het tandvlees, het losstaan der tanden, etc. (scheurbot, blauwschuit, scorbuut). [N 107 (2001)]
III-1-2
|