e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
scheepje voor de wierook scheepje: schefkə (Montzen) Het scheepje waarin de wierookkorrels worden bewaard [scheepke, schipke, schuitje, sjuutje?]. [N 96B (1989)] III-3-3
scheermes schaars: schâsch (Montzen), sâs (Montzen), scheermes: e schearmĕts (Montzen) Scheermes [ZND 06 (1924)] III-1-3
schemeren van de ogen sterren zien: ṣtɛ̄rə ziə (Montzen) Schemeren voor de ogen, sterretjes zien (het schemert mij/ voor mijn ogen, ik zie sterren, flimmeren, flikkeren). [N 109 (2001)] III-1-1
schepkorf zwermkorf: žwɛrǝmkø̄rǝf (Montzen) Klein, breed korfje zonder vlieggat waarmee men de zwerm vangt. In de kop is meestal een stalen ring of een touwtje bevestigd waar de duim door gestoken kan worden en waarmee het korfje eventueel aan een tak gehangen kan worden. [N 63, 84b; N 63, 3g; N 63, 2b; monogr.] II-6
scheppen scheppen: šø.pə (Montzen) scheppen [ZND 25 (1937)] III-1-2
scheren rasieren (du.): razēre (Montzen, ... ), scheren: schēàre (Montzen), schäre (Montzen), sèāre (Montzen, ... ) scheren [ZND m] || scheren [inf.] [ZND 06 (1924)] III-1-3
scherp kijken staren: ṣtarə (Montzen) Scherp kijken (turen, staren, ogen). [N 109 (2001)] III-1-1
scherp staan spitsbouw: špetsbōw (Montzen) Spits toelopen van de raat of raten tijdens het bouwen. De uiteinden van de raten zijn wigvormig. Het scherp staan is een teken dat de jonge raat nog verlengd wordt. [N 63, 16c] II-6
scheur reet: ret (Montzen) Scheur in een kledingstuk. Zie wat betreft het woordtype vijf de toelichting bij het lemma ɛwinkelhaakɛ.' [N 59, 192a; N 62, 43b] II-7
scheurbuik gezwollen tandvlees dat bloedt: Wordt omschreven.  gəẓwolə tāntvlējṣ dat blot (Montzen) Scheurbuik: ziekte die ontstaat door gemis van vers fruit en verse groente en die zich openbaart door zwellingen en bloedingen van het tandvlees, het losstaan der tanden, etc. (scheurbot, blauwschuit, scorbuut). [N 107 (2001)] III-1-2