| 17961 |
schoppen |
schotten:
schotte (Q253p Montzen),
stampen:
schtâmpe (Q253p Montzen),
stampe (Q253p Montzen),
stoten:
schtūëte (Q253p Montzen)
|
schoppen [ZND 06 (1924)]
III-1-2
|
| 22754 |
schoppen in het kaartspel |
schoppen:
ṣöpe (Q253p Montzen)
|
Schoppen (kaartspel). [ZND m]
III-3-2
|
| 18016 |
schor |
gram:
grām ziə (Q253p Montzen)
|
Schor [zijn] (hees, gram). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 21367 |
schot |
schot:
schot, twä schött (Q253p Montzen),
schot, twäe schöt (Q253p Montzen),
schŏt, twâj schöt (Q253p Montzen),
sjŏŏt, twej sjöt (Q253p Montzen)
|
Een schot, twee schoten (van een wapen). [ZND 06 (1924)]
III-3-1
|
| 19506 |
schotel |
schotel:
šo.təl (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
een ronde schotel [ZND 06 (1924)] || schotel [ZND m]
III-2-1
|
| 17638 |
schouderblad |
schouderblad:
ṣowərblat (Q253p Montzen)
|
Schouderblad: een der beide, driehoekige platte beenderen op de bovenrug die de schouders helpen vormen (schouderblad, schoft. schug). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 18556 |
schoudermantel met capuchon |
caban (fr.) met een kapoets:
kaba͂ met ən kabuts (Q253p Montzen)
|
schoudermantel met capuchon [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 29083 |
schoudernaad |
schoudernaad:
šǫwǝrnǭt (Q253p Montzen)
|
Naad van een kledingstuk die op de schouder valt, van de kraag tot de mouw van een jas, een japon enz. [N 59, 98]
II-7
|
| 29048 |
schoudervulling |
schoudervulsel:
šowǝrvølsǝl (Q253p Montzen)
|
Opvulsel op de schouders van een kledingstuk, om de schouderlijn te accentueren en figuurfouten te corrigeren en om een mooie valling van de mouwen te verkrijgen. Ze bestaat veelal uit watjes, 2 of 3 voor een normale schouder tot 4 à 5 voor een hoge (Papenhuyzen III, pag. 26). [N 59, 99; N 62, 62]
II-7
|
| 33059 |
schoven binden |
binden:
bēŋǝ (Q253p Montzen)
|
Het werk van de binder die achter de zichter aankomt en die om de hoeveelheid halmen die de zichter afgetrokken heeft twee (soms ook één) banden doet en zo de garven, gebonden schoven, maakt. Wanneer het graan met de zeis gemaaid wordt en de aflegger achter de maaier aankomt, worden het "afleggen", het "vormen" en het "binden" vaak in één doorgaande handeling uitgevoerd. Jassen en kassen worden (elders) ook gebruikt voor het opzetten en samenbinden van de korenhokken, zie het lemma ''schoven opzetten in een hok'' (4.6.13). De volgorde van de varianten van het type binden is: a. consonantcluster: -nd-/-ndj-/-]d, -n-, -nj-, -]-; b. vocalisme: -e-, -ę-, -ęi̯-, -ē-, -i-.' [N 15, 15d, 15e2 en 20; JG 1a, 1b; A 23, 16.2; L 1 a-m; L 1u, 15; L 48, 34.2; Lu 1, 16.2, Lu 2, 34.2; monogr.]
I-4
|