e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
slang slang: šla‧ŋ (Montzen) slang [ZND m] III-4-2
slank slank: ṣlāŋk (Montzen) Slank, tenger: rank, smal gebouwd (slank, raal, reel, rank, riede). [N 106 (2001)] III-1-1
slecht groeien slecht opwassen: ṣlɛət opwāssə (Montzen) Slecht groeien, gezegd van een kind (slecht groeien/wassen, achterblijven, dao zit de krot in, kooieren). [N 107 (2001)] III-1-1
slecht weer, hondenweer hondsweer: honswéér (Montzen), slecht (weer): sjlejet wéér (Montzen) slecht weer [hondewaer] [N 07 (1961)] III-4-4
slechte schoenmaker stumper: štømpǝr (Montzen) Schoenmaker die zijn vak niet verstaat. [N 60, 216c] II-10
slee schlitt (du.): schlit (Montzen) Een slede (om op de sneeuw te rijden). [ZND 06 (1924)] III-3-2
slenteren slenteren: ṣlɛ̄ntərə (Montzen, ... ), trampelen: trāmpələ (Montzen) Slenteren (taffelen, trampelen, lanterfanten, klenjeren). [N 109 (2001)] || Zonder doel rondlopen (zwabberen, zwadderen, (s)lummelen). [N 109 (2001)] III-1-2
slepen slepen: schlêpe (Montzen), šle͂.pə (Montzen), šlē̜ ̝pǝ, šlē ̞pǝ (Montzen) De in dit lemma bijeengebrachte termen betreffen het bewerken van de akker met een sleep, om de grond gelijk te trekken, aardkluiten te verbrijzelen of fijn zaad in de grond te werken, alsmede het slepen van weiland, om mestplakken en molshopen te verbreiden en/of gestrooide mest over de grasmat uit te strijken. Hoe de hieronder voorkomende vormen ''eg'' + ''eg'' en ''eggen'' + ''eggen'' verstaan moeten worden, is aangegeven in de lemmata ''eg'' en ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 81 + 85; N 11A, 173c + 180; S 33; L 6, 66; div.; monogr.] || slepen [ZND m] || slepen (sleepen) [ZND 06 (1924)] I-2, III-1-2
sleutel sleutel: šlø͂ͅə.təl (Montzen), šløͅətəl (Montzen) sleutel III-2-1
sliepuit kits, kits: kiets! kiets! (Montzen), [vgl. G. Naert (1985), pag. 12 sub uitjitsen].  kiets, kiets (Montzen), kits, kits, kits: [vgl. G. Naert (1985), pag. 12 sub uitjitsen].  kiets! kiets! kiets! (Montzen) Iemand uitslijpen (uitlachen door met de twee wijsvingers over elkaar te wrijven; wat wordt daarbij gezegd?) [ZND 06 (1924)] || uitsliepen: inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 07 (1961)] III-3-2