| 24378 |
slang |
slang:
šla‧ŋ (Q253p Montzen)
|
slang [ZND m]
III-4-2
|
| 17553 |
slank |
slank:
ṣlāŋk (Q253p Montzen)
|
Slank, tenger: rank, smal gebouwd (slank, raal, reel, rank, riede). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 17542 |
slecht groeien |
slecht opwassen:
ṣlɛət opwāssə (Q253p Montzen)
|
Slecht groeien, gezegd van een kind (slecht groeien/wassen, achterblijven, dao zit de krot in, kooieren). [N 107 (2001)]
III-1-1
|
| 25152 |
slecht weer, hondenweer |
hondsweer:
honswéér (Q253p Montzen),
slecht (weer):
sjlejet wéér (Q253p Montzen)
|
slecht weer [hondewaer] [N 07 (1961)]
III-4-4
|
| 30814 |
slechte schoenmaker |
stumper:
štømpǝr (Q253p Montzen)
|
Schoenmaker die zijn vak niet verstaat. [N 60, 216c]
II-10
|
| 22344 |
slee |
schlitt (du.):
schlit (Q253p Montzen)
|
Een slede (om op de sneeuw te rijden). [ZND 06 (1924)]
III-3-2
|
| 17930 |
slenteren |
slenteren:
ṣlɛ̄ntərə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
trampelen:
trāmpələ (Q253p Montzen)
|
Slenteren (taffelen, trampelen, lanterfanten, klenjeren). [N 109 (2001)] || Zonder doel rondlopen (zwabberen, zwadderen, (s)lummelen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 17899 |
slepen |
slepen:
schlêpe (Q253p Montzen),
šle͂.pə (Q253p Montzen),
šlē̜ ̝pǝ, šlē ̞pǝ (Q253p Montzen)
|
De in dit lemma bijeengebrachte termen betreffen het bewerken van de akker met een sleep, om de grond gelijk te trekken, aardkluiten te verbrijzelen of fijn zaad in de grond te werken, alsmede het slepen van weiland, om mestplakken en molshopen te verbreiden en/of gestrooide mest over de grasmat uit te strijken. Hoe de hieronder voorkomende vormen ''eg'' + ''eg'' en ''eggen'' + ''eggen'' verstaan moeten worden, is aangegeven in de lemmata ''eg'' en ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 81 + 85; N 11A, 173c + 180; S 33; L 6, 66; div.; monogr.] || slepen [ZND m] || slepen (sleepen) [ZND 06 (1924)]
I-2, III-1-2
|
| 19374 |
sleutel |
sleutel:
šlø͂ͅə.təl (Q253p Montzen),
šløͅətəl (Q253p Montzen)
|
sleutel
III-2-1
|
| 22469 |
sliepuit |
kits, kits:
kiets! kiets! (Q253p Montzen),
[vgl. G. Naert (1985), pag. 12 sub uitjitsen].
kiets, kiets (Q253p Montzen),
kits, kits, kits:
[vgl. G. Naert (1985), pag. 12 sub uitjitsen].
kiets! kiets! kiets! (Q253p Montzen)
|
Iemand uitslijpen (uitlachen door met de twee wijsvingers over elkaar te wrijven; wat wordt daarbij gezegd?) [ZND 06 (1924)] || uitsliepen: inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 07 (1961)]
III-3-2
|