| 30943 |
snijtafel |
snijdis:
šni-jdøjš (Q253p Montzen)
|
De smalle, hoge werktafel waarop het leer gesneden wordt. "De snijtafel moet zoo hoog zijn dat er in staande houding aan gewerkt kan worden; het tafelvlak zij minstens zoo groot, dat men er een kalfsvel behoorlijk op uitspreiden kan. Rechts en links van den snijder moeten in de tafel schuifladen aangebracht zijn ter bewaring of berging van kleine lederstukken, elastiek, gereedschap enz. Ter berging van de vellen enz. dienen verschillende, naast de tafel geplaatste schappen of rekken." (Knöfel I, pag. 178). Zie afb. 25. [N 60, 43a; N 60, 43b]
II-10
|
| 18134 |
snijwonde |
snee:
šnēͅ: (Q253p Montzen),
snit:
ene ferme sjnit i gene vinger (Q253p Montzen),
inə sjnit iegənə vingər (Q253p Montzen),
schnĕt i gene vĕŋer (Q253p Montzen),
ṣnet (Q253p Montzen)
|
snede (insnijding) in de vinger [ZND 06 (1924)], [ZND m] || snee in de vinger [N 07 (1961)] || Snijwond: door snijden veroorzaakte wond (snee, krab, krets, vats, sleuf, kreeuw, vil, slip). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 20590 |
snoepen |
snuiten:
šny(3)̄tsə (Q253p Montzen)
|
snoepen [ZND 07 (1924)]
III-2-3
|
| 33996 |
snoer |
smikkesnoer:
šmekǝšnōr (Q253p Montzen)
|
Bewegend deel van de zweep dat aan de steel bevestigd is. Een aantal informanten verdeelt het snoer nog in een onderste gedeelte dat aan de stok bevestigd is, en een dunner (gevlochten) gedeelte, waaraan de kletsoor bevestigd is. De benamingen die met zekerheid refereren aan dat dunnere gedeelte, worden apart vermeld. [N 13, 95b; S 47; R 14, 20; monogr.]
I-10
|
| 17753 |
snor |
schnauz (du.):
schnauts (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
schnautz (Q253p Montzen),
sjnoets (Q253p Montzen)
|
Hij heeft nog geen snor (Fr. moustache). [ZND 07 (1924)]
III-1-1
|
| 18026 |
snotneus |
hondsjong:
hontsjoong (Q253p Montzen),
wad ene hontsjoŋ (Q253p Montzen),
kute-jong:
kû.tjo.ŋ (Q253p Montzen),
wat ene kûtjoŋ (Q253p Montzen),
kute-naas:
koetnaas (Q253p Montzen),
kōētenaas (Q253p Montzen),
kute-nelis:
kōētenèlles (Q253p Montzen)
|
snotneus [snooterbel, sjoetsnaas] [N 06 (1960)] || Wat een snotneus! [ZND 07 (1924)]
III-1-4
|
| 18025 |
snottebel |
koet:
Opm. [en kuutnaas] is een jong kind.
kūt a gən nās (Q253p Montzen)
|
Snottebel (snotkoek, koetneus). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 18027 |
snotteren |
snoeven:
ṣnuvə (Q253p Montzen)
|
Snotteren: herhaaldelijk en hoorbaar de neus ophalen om deze vrij te maken van neusvocht (snotteren, snutten, snoeven). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 20567 |
snuifje |
snuifje:
šnij‧f.kə (Q253p Montzen)
|
snuifje nemen [ZND 07 (1924)]
III-2-3
|
| 17590 |
snuit |
snuit:
šnȳ.t (Q253p Montzen),
snuits:
lang schnuïtz (Q253p Montzen),
lang sjnuuts (Q253p Montzen),
laø schnüts (Q253p Montzen),
laŋ schnüts (Q253p Montzen),
šnutz (Q253p Montzen),
šnyts (Q253p Montzen)
|
[N 19, 25; N 76, 11; L 7, 8; JG 1a]Snuit. Een lange snuit. [ZND 07 (1924)]
I-12, III-1-1
|