e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
snijtafel snijdis: šni-jdøjš (Montzen) De smalle, hoge werktafel waarop het leer gesneden wordt. "De snijtafel moet zoo hoog zijn dat er in staande houding aan gewerkt kan worden; het tafelvlak zij minstens zoo groot, dat men er een kalfsvel behoorlijk op uitspreiden kan. Rechts en links van den snijder moeten in de tafel schuifladen aangebracht zijn ter bewaring of berging van kleine lederstukken, elastiek, gereedschap enz. Ter berging van de vellen enz. dienen verschillende, naast de tafel geplaatste schappen of rekken." (Kn√∂fel I, pag. 178). Zie afb. 25. [N 60, 43a; N 60, 43b] II-10
snijwonde snee: šnēͅ: (Montzen), snit: ene ferme sjnit i gene vinger (Montzen), inə sjnit iegənə vingər (Montzen), schnĕt i gene vĕŋer (Montzen), ṣnet (Montzen) snede (insnijding) in de vinger [ZND 06 (1924)], [ZND m] || snee in de vinger [N 07 (1961)] || Snijwond: door snijden veroorzaakte wond (snee, krab, krets, vats, sleuf, kreeuw, vil, slip). [N 107 (2001)] III-1-2
snoepen snuiten: šny(3)̄tsə (Montzen) snoepen [ZND 07 (1924)] III-2-3
snoer smikkesnoer: šmekǝšnōr (Montzen) Bewegend deel van de zweep dat aan de steel bevestigd is. Een aantal informanten verdeelt het snoer nog in een onderste gedeelte dat aan de stok bevestigd is, en een dunner (gevlochten) gedeelte, waaraan de kletsoor bevestigd is. De benamingen die met zekerheid refereren aan dat dunnere gedeelte, worden apart vermeld. [N 13, 95b; S 47; R 14, 20; monogr.] I-10
snor schnauz (du.): schnauts (Montzen, ... ), schnautz (Montzen), sjnoets (Montzen) Hij heeft nog geen snor (Fr. moustache). [ZND 07 (1924)] III-1-1
snotneus hondsjong: hontsjoong (Montzen), wad ene hontsjoŋ (Montzen), kute-jong: kû.tjo.ŋ (Montzen), wat ene kûtjoŋ (Montzen), kute-naas: koetnaas (Montzen), kōētenaas (Montzen), kute-nelis: kōētenèlles (Montzen) snotneus [snooterbel, sjoetsnaas] [N 06 (1960)] || Wat een snotneus! [ZND 07 (1924)] III-1-4
snottebel koet: Opm. [en kuutnaas] is een jong kind.  kūt a gən nās (Montzen) Snottebel (snotkoek, koetneus). [N 109 (2001)] III-1-2
snotteren snoeven: ṣnuvə (Montzen) Snotteren: herhaaldelijk en hoorbaar de neus ophalen om deze vrij te maken van neusvocht (snotteren, snutten, snoeven). [N 107 (2001)] III-1-2
snuifje snuifje: šnij‧f.kə (Montzen) snuifje nemen [ZND 07 (1924)] III-2-3
snuit snuit: šnȳ.t (Montzen), snuits: lang schnuïtz (Montzen), lang sjnuuts (Montzen), laø schnüts (Montzen), laŋ schnüts (Montzen), šnutz (Montzen), šnyts (Montzen) [N 19, 25; N 76, 11; L 7, 8; JG 1a]Snuit. Een lange snuit. [ZND 07 (1924)] I-12, III-1-1