| 30912 |
spanriem |
spanriem:
španrę̄m (Q253p Montzen)
|
De leren riem waarmee men de te bewerken schoen of het schoenonderdeel vastklemt op de knie door middel van de voet. [N 60, 57]
II-10
|
| 17963 |
spartelen |
van zich af houwen en stampen:
wordt omschreven
van zich af howø en stāmpø (Q253p Montzen)
|
Spartelen: met de armen en benen heen en weer slaan (spartelen, spattelen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 18091 |
spatader |
opgezwollen ader:
opgescholle ore (Q253p Montzen),
varice (fr.):
WNT: aderspat, lat. varix.
varies (Q253p Montzen)
|
spatader (uitpuilende ader aan been, Fr. varice) [ZND 07 (1924)]
III-1-2
|
| 17782 |
speeksel |
spij:
schpäj (Q253p Montzen),
schpöj (Q253p Montzen),
sjpöj (Q253p Montzen),
spöe (Q253p Montzen)
|
speeksel [ZND 07 (1924)]
III-1-1
|
| 17694 |
speeksel uitspuwen |
kotsen:
kotsə (Q253p Montzen)
|
(speeksel uit)spuwen [RND]
III-1-1
|
| 28487 |
speeldop |
faux cel:
fǭ sɛl (Q253p Montzen)
|
De aanzet van een koninginnedop of -cel waar echter geen eitje in komt. Wat de functie van de speeldop is, is niet duidelijk. De speeldop is als het ware de grondvorm van de eigenlijke moercel zonder ooit daartoe te worden uitgebouwd. Ze wordt hier en daar aan de buitenzijde der raten aangezet in de vorm van een eikelnapje. [N 63, 26a; N 63, 25b]
II-6
|
| 34114 |
speen van de koe |
deem:
dēm (Q253p Montzen),
dē̜m (Q253p Montzen),
memmetje:
mɛmǝkǝ (Q253p Montzen),
nokkel:
nukǝl (Q253p Montzen)
|
[N C, 12; JG 1a, 1b; A 30, 6a; L 8, 24b; L 14, 27b; L 49, 6a; monogr.]
I-11
|
| 28456 |
spekraat |
honingschol:
hǫǝnǝŋšol (Q253p Montzen)
|
Nieuwe raat waarin veel honing zit. De normale afstand tussen de raten is 35-40 mm hart op hart. De bijen kunnen de bovenste cellenreeksen zo ver uittrekken dat de raten elkaar bijna en op enige punten zelfs geheel raken. Deze cellen zijn doorgaans ongeschikt om erin te broeden maar voor het opbergen van honing zijn ze ideaal. Volgens de informant van L 215a is deze honing wel moeilijk te slingeren. [N 63, 13g]
II-6
|
| 18390 |
speld |
spang:
špaŋ (Q253p Montzen)
|
Puntig, van een kop voorzien metalen stiftje om iets in weefsel vast te steken of te bevestigen op of aan iets anders. [N 62, 50a; L 7, 20; L 14, 24; L B1, 73; R 14, 8a; MW; Wi 7; S 34; monogr.]
II-7
|
| 28970 |
spelden |
spangen:
špaŋǝ (Q253p Montzen),
toespangen:
tušpaŋǝ (Q253p Montzen),
vastspangen:
vastspaŋǝ (Q253p Montzen),
vāsšpaŋǝ (Q253p Montzen)
|
Met spelden stukken kleding of panden aan elkaar vastspelden. [N 59, 74; L 7, 20; S 34]
II-7
|