e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
spanriem spanriem: španrę̄m (Montzen) De leren riem waarmee men de te bewerken schoen of het schoenonderdeel vastklemt op de knie door middel van de voet. [N 60, 57] II-10
spartelen van zich af houwen en stampen: wordt omschreven  van zich af howø en stāmpø (Montzen) Spartelen: met de armen en benen heen en weer slaan (spartelen, spattelen) [N 108 (2001)] III-1-2
spatader opgezwollen ader: opgescholle ore (Montzen), varice (fr.): WNT: aderspat, lat. varix.  varies (Montzen) spatader (uitpuilende ader aan been, Fr. varice) [ZND 07 (1924)] III-1-2
speeksel spij: schpäj (Montzen), schpöj (Montzen), sjpöj (Montzen), spöe (Montzen) speeksel [ZND 07 (1924)] III-1-1
speeksel uitspuwen kotsen: kotsə (Montzen) (speeksel uit)spuwen [RND] III-1-1
speeldop faux cel: fǭ sɛl (Montzen) De aanzet van een koninginnedop of -cel waar echter geen eitje in komt. Wat de functie van de speeldop is, is niet duidelijk. De speeldop is als het ware de grondvorm van de eigenlijke moercel zonder ooit daartoe te worden uitgebouwd. Ze wordt hier en daar aan de buitenzijde der raten aangezet in de vorm van een eikelnapje. [N 63, 26a; N 63, 25b] II-6
speen van de koe deem: dēm (Montzen), dē̜m (Montzen), memmetje: mɛmǝkǝ (Montzen), nokkel: nukǝl (Montzen) [N C, 12; JG 1a, 1b; A 30, 6a; L 8, 24b; L 14, 27b; L 49, 6a; monogr.] I-11
spekraat honingschol: hǫǝnǝŋšol (Montzen) Nieuwe raat waarin veel honing zit. De normale afstand tussen de raten is 35-40 mm hart op hart. De bijen kunnen de bovenste cellenreeksen zo ver uittrekken dat de raten elkaar bijna en op enige punten zelfs geheel raken. Deze cellen zijn doorgaans ongeschikt om erin te broeden maar voor het opbergen van honing zijn ze ideaal. Volgens de informant van L 215a is deze honing wel moeilijk te slingeren. [N 63, 13g] II-6
speld spang: špaŋ (Montzen) Puntig, van een kop voorzien metalen stiftje om iets in weefsel vast te steken of te bevestigen op of aan iets anders. [N 62, 50a; L 7, 20; L 14, 24; L B1, 73; R 14, 8a; MW; Wi 7; S 34; monogr.] II-7
spelden spangen: špaŋǝ (Montzen), toespangen: tušpaŋǝ (Montzen), vastspangen: vastspaŋǝ (Montzen), vāsšpaŋǝ (Montzen) Met spelden stukken kleding of panden aan elkaar vastspelden. [N 59, 74; L 7, 20; S 34] II-7