| 18276 |
strooien hoed |
strohoed:
strü hood (Q253p Montzen)
|
een strooien hoed [ZND 07 (1924)]
III-1-3
|
| 22041 |
strooisel |
strooisel:
strø̜ǝsǝl (Q253p Montzen),
štrøtsǝl (Q253p Montzen),
štrø̄sǝl (Q253p Montzen),
štrø̜sǝl (Q253p Montzen)
|
Dat wat in de stal onder het vee wordt gestrooid. Dat kan vers stro zijn maar ook gehakt stro of afval na het wannen van gedorst graan. Verder gebruikte men bladeren uit hagen, eiken- en beukenbos en loof van struiken eveneens als strooisel. [N 6, 10; L 7, 61b; JG 1a, 1b, 2b-1 add.; N 18, 41 add.; monogr.]
I-11
|
| 25863 |
strook stoken |
kruidje maken:
krytšǝ mākǝ (Q253p Montzen)
|
Stroop maken. In Q 249 werd de stroop op de volgende manier vervaardigd. Achthonders kilogram fruit, verdeeld over zeshonderd kilo peren en tweehonderd kilo appels, werd in de grote koperen ketel gekookt. Het kooksel werd daarna in de twee persen uitgeperst. Het zo verkregen sap werd gezeefd en weer in de koperen ketel gegoten. In de ketel werd het sap zolang gekookt tot het door verdamping een bepaalde dikte had bereikt. Dan werd de stroop gekoeld en opgeslagen in (stenen) voorraadpotten, gereed voor de verkoop. De invuller uit L 379 vermeldt dat het verwerken van een ketel met ongeveer vijfhonderd kilo fruit gemiddeld twaalf uur duurde. Per honder kilo fruit leverde dat twintig pond sap op. De meeste stroopstokers gebruikten als grondstoffen meestal appels, peren en suikerbieten. De suikerbieten werden toegevoegd om de stroop zoeter te maken, maar volgens de invullers uit L 379 en L 387 ook om te voorkomen dat het sap zou aanbranden. Naast de bovengenoemde vruchten gebruikte de respondent uit L 379 heel zelden ook koolraap en voederbieten. Bovendien noemden een aantal zegslieden pruimen en wortels als basis. [N 57, 3a add.; monogr.]
II-2
|
| 20956 |
stroop |
kruidje:
kr ̇ytšǝ (Q253p Montzen),
krytšǝ (Q253p Montzen)
|
Dikke, kleverige, zoete vloeistof, als broodbeleg gebruikt. In dit lemma zijn alle antwoorden opgenomen die zijn gegeven op de vragen S 36, L 7, 62 en N 57, 34a waarin in het algemeen werd gevraagd naar benamingen voor stroop. Daarnaast is monografisch materiaal dat betrekking had op stroop, verwerkt. Bovendien bevat dit lemma de antwoorden op vraag N 38, 2 "Hoe noemt u appelstroop?", omdat uit vergelijk van het materiaal voor diverse plaatsen bleek, dat er nauwelijks ver-schillen optraden in de benamingen voor stroop en appelstroop, waarschijnlijk ook omdat de meeste stroop uit appels geproduceerd wordt, Om een overbodige opsomming van identieke varianten te vermijden, is daar-om besloten de opgaven bij elkaar te plaatsen. [N 57, 34a; N 57A, 6; S 36; L 7, 62; N 38, 2; monogr.]
II-2
|
| 25917 |
stroopgoot |
kanjel:
kaŋǝl (Q253p Montzen)
|
Om het morsen tijdens het uit- of overscheppen van hete stroop te voorkomen gebruikt men in Q 253 een soort goot die op de rand van de ketel wordt gehangen en enigszins een tuit vormt. [N 57, add.]
II-2
|
| 25925 |
stroopkan |
meut:
mø̄t (Q253p Montzen)
|
Een kan om stroop in de vaten te schenken. In L 387 kende men geen aparte kan, men gebruikte daar de "zijpnatslepel" waarmee men ook de ketel leegmaakte (zie het lemma ''strooplepel''). [N 57, 35]
II-2
|
| 25875 |
stroopketel |
ketel:
kɛǝtǝl (Q253p Montzen)
|
De grote, vaak van koper vervaardigde ketel waarin de vruchtenmassa en het sap worden gekookt. Zie afb. 16. In Q 249 gebruikte men een cilindervormige, koperen ketel met een hoogte van 88 cm en een diameter van 134 cm. Deze ketel dateerde uit 1919. In Q 198 had men een cilindrische ketel met een inhoud van ongeveer 600 liter. De invuller uit L 295 kookte in een ingemetselde ketel van 150 cm doorsnee en 60 tot 70 cm hoog. Door deze grote doorsnee ontstond er meer verdampingsoppervlakte. Met de opgave uit L 318b ("machiensketel") werd uitsluitend de ketel bedoeld waarmee men het sap indikte. [N 57, 7]
II-2
|
| 25915 |
strooplepel |
pan:
pán (Q253p Montzen)
|
De grote koperen lepel waarmee de stroop uit de ketel wordt geschept. Zie afb. 26. [N 57, 30a]
II-2
|
| 25927 |
stroopmes |
plet:
plęt (Q253p Montzen)
|
De houten spaan om stroop uit de voorraadpotten te halen bij het afwegen in de verkoopruimte. [N 57, 37]
II-2
|
| 25918 |
stroopschep |
kromme plet:
krom plęt (Q253p Montzen),
schupje:
šøpkǝ (Q253p Montzen)
|
De houten of koperen schep waarmee stroop uit de ketel kan worden geschept. Zie afb. 27. Daarnaast wordt de schep, zo blijkt uit de opgaven, ook gebruikt om de stroop te roeren, zeker wanneer hij een lange steel heeft. De "zijpnatsschup" uit L 387 was een houten schop als afb. 27 met een korte steel. De schop werd onder meer gebruikt voor ''t afwegen van stroop. [N 57, 30b; N 57, 30c]
II-2
|