e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
stuitbeen rozenknookje: rōzəknøəkskə (Montzen) Stuitbeen (staartbeen, votknook). [N 109 (2001)] III-1-1
stuiven van droog zand of stof mullen: ps. of toch omspellen volgens IPA: [mØle]?  mo:le (Montzen), stubben: ps. letterlijk overgenomen.  štø‧b.ə (Montzen), ps. of toch omspellen volgens Frings: [st$be]?  stöbe (Montzen) stuiven [ZND 07 (1924)] III-4-4
suiker suiker: soeker (Montzen), suker (Montzen) suiker [ZND 07 (1924)] III-2-3
suikerbiet suikerkaroot: sukǝrkarūt (Montzen) Beta vulgaris L. subsp. vulgaris, var. altissima. De suikerbiet is een veredeling van de voederbiet met een groot aandeel suikers in de vaste bestanddelen en dateert van het begin van de twintigste eeuw. De knol groeit helemaal onder de grond en gedijt het best op kleigronden. Het is één van de belangrijkste cultuurgewassen op de leemhoudende gronden in Limburg en levert de grondstoffen voor de stroopfabricage en voor de suikerindustrie in Haspengouw. De volgorde van de varianten is zoals steeds eerst naar het tweede element (biet, kroot, enz.); daarbinnen naar de varianten van suiker-; naar het vocalisme zijn in dit eerst lid drie groepen te onderscheiden, die wijzen op verschillende ontleningslagen, corresponderend aan de Nederlandse (ø̜i̯) van ɛsuikerɛ, aan de Duitse (u) van ɛZuckerɛ en aan de Franse (y) van ɛsucreɛ. [N 12, 37; N 12A, 2; A 13, 2c; A 49, 3; L B2, 361; L 43, 4a; R 3, 97; monogr.; add. uit JG 1b] I-5
suisse zwitser: zjwɛ̄tsər (Montzen) De ordebewaarder in de kerk, de suisse [kerkgendarme, kèrksjanderm, tseijes?]. [N 96B (1989)] III-3-3
suizen van de oren tuiten: ty(3)̄tə (Montzen), zoemen: zumə (Montzen) Suizen van de oren (soezen, toeten, tuiten, fluiten, ruisen). [N 109 (2001)] III-1-1
sukkelen immer krank zijn: Wordt omschreven.  ømər krāŋk ziə (Montzen) Sukkelen: aanhoudend ziek of niet gezond zijn, ziekelijk zijn (sukkelen, krenkelen, kwakkelen, op de sukkelbaan zijn). [N 107 (2001)] III-1-2
suçon, suçonnaad naad: nǭt (Montzen) Insnijding of inneming om lijn in een stuk te krijgen. Puntnaad in het algemeen. [N 59, 94a; monogr.] II-7
syfilis syfilis: sifilis (Montzen) Syfilis: besmettelijke geslachtsziekte die gewoonlijk begint met een zweer op de geslachtsorganen; uiteindelijk kan elk orgaan aangetast worden (druiper, luizenziekte, syfilis). [N 107 (2001)] III-1-2
taai, hard leer lapleer: laplę̄r (Montzen) Taai en hard leer van minder goede kwaliteit. [N 60, 11] II-10