| 17642 |
stuitbeen |
rozenknookje:
rōzəknøəkskə (Q253p Montzen)
|
Stuitbeen (staartbeen, votknook). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 25198 |
stuiven van droog zand of stof |
mullen:
ps. of toch omspellen volgens IPA: [mØle]?
mo:le (Q253p Montzen),
stubben:
ps. letterlijk overgenomen.
štø‧b.ə (Q253p Montzen),
ps. of toch omspellen volgens Frings: [st$be]?
stöbe (Q253p Montzen)
|
stuiven [ZND 07 (1924)]
III-4-4
|
| 20847 |
suiker |
suiker:
soeker (Q253p Montzen),
suker (Q253p Montzen)
|
suiker [ZND 07 (1924)]
III-2-3
|
| 33230 |
suikerbiet |
suikerkaroot:
sukǝrkarūt (Q253p Montzen)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris, var. altissima. De suikerbiet is een veredeling van de voederbiet met een groot aandeel suikers in de vaste bestanddelen en dateert van het begin van de twintigste eeuw. De knol groeit helemaal onder de grond en gedijt het best op kleigronden. Het is één van de belangrijkste cultuurgewassen op de leemhoudende gronden in Limburg en levert de grondstoffen voor de stroopfabricage en voor de suikerindustrie in Haspengouw. De volgorde van de varianten is zoals steeds eerst naar het tweede element (biet, kroot, enz.); daarbinnen naar de varianten van suiker-; naar het vocalisme zijn in dit eerst lid drie groepen te onderscheiden, die wijzen op verschillende ontleningslagen, corresponderend aan de Nederlandse (ø̜i̯) van ɛsuikerɛ, aan de Duitse (u) van ɛZuckerɛ en aan de Franse (y) van ɛsucreɛ. [N 12, 37; N 12A, 2; A 13, 2c; A 49, 3; L B2, 361; L 43, 4a; R 3, 97; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 23590 |
suisse |
zwitser:
zjwɛ̄tsər (Q253p Montzen)
|
De ordebewaarder in de kerk, de suisse [kerkgendarme, kèrksjanderm, tseijes?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17735 |
suizen van de oren |
tuiten:
ty(3)̄tə (Q253p Montzen),
zoemen:
zumə (Q253p Montzen)
|
Suizen van de oren (soezen, toeten, tuiten, fluiten, ruisen). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 17978 |
sukkelen |
immer krank zijn:
Wordt omschreven.
ømər krāŋk ziə (Q253p Montzen)
|
Sukkelen: aanhoudend ziek of niet gezond zijn, ziekelijk zijn (sukkelen, krenkelen, kwakkelen, op de sukkelbaan zijn). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 28954 |
suçon, suçonnaad |
naad:
nǭt (Q253p Montzen)
|
Insnijding of inneming om lijn in een stuk te krijgen. Puntnaad in het algemeen. [N 59, 94a; monogr.]
II-7
|
| 18126 |
syfilis |
syfilis:
sifilis (Q253p Montzen)
|
Syfilis: besmettelijke geslachtsziekte die gewoonlijk begint met een zweer op de geslachtsorganen; uiteindelijk kan elk orgaan aangetast worden (druiper, luizenziekte, syfilis). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 30838 |
taai, hard leer |
lapleer:
laplę̄r (Q253p Montzen)
|
Taai en hard leer van minder goede kwaliteit. [N 60, 11]
II-10
|