| 32982 |
boekweit |
boekweit:
bǫkǝs (Q253p Montzen)
|
Fagopyrum esculentum Moench. Een graansoort die gemakkelijk groeit op weinig vruchtbare grond. Boekweit kent geen aren; de korrels hangen in trosjes aan vertakkingen van de stengel. Het zaad is licht en wordt zeer dun gezaaid, slechts 20 kg per hectare. De samenstelling boekweit, -letterlijk "beuke-tarwe" (boek is wisselvorm van beuk), vanwege de drievlakkige vrucht- is kennelijk al snel ondoorzichtig geworden, temeer omdat het element ''weit'' voor "tarwe" in het zuiden van het Nederlandse taalgebied tot de uiterste oostrand beperkt was (zie het lemma ''tarwe'' (1.2.8) met kaart 8). Er zijn dan ook talrijke contractie-vormen ontstaan; het WNT geeft: boekeit, boeket, boekent. In de XVe eeuw is het gewas vanuit Aziē naar Europa ingevoerd; de eerste attestatie in het Nederlandse taalgebied dateert van 1440. De zegsman van K 278 merkt op: "Boekweit en koolzaad werden gewoonlijk alleen op het veld gedorst omdat het geen vervoer verdragen kon." Volgorde van de varianten 1) twee volledige syllaben 2) tweede syllabe toonloos 3) n-epenthese in tweede syllabe. Zie afbeelding 1, f.' [JG 1a, 1b; L 1 a-m; L lijst graangewassen, 1; R 3, 26; S 4; Wi 18; monogr.]
I-4
|
| 20783 |
boekweitpannenkoek |
boekweitskoek:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m
bokeskōk (Q253p Montzen),
pannenkoek:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m
pannekök (Q253p Montzen)
|
boekweitkoek, pannekoek [ZND 01u (1924)]
III-2-3
|
| 19773 |
boenen |
boenderen:
bundərə (Q253p Montzen)
|
boenen [ZND m]
III-2-1
|
| 21301 |
boer |
boer:
bû.r (Q253p Montzen),
bûr (Q253p Montzen),
būr (Q253p Montzen),
der bŭr wont ob ən erəf (Q253p Montzen),
der bûr (Q253p Montzen),
halfing:
Van Dale: halfing, zie halfwinner.
halefèn (Q253p Montzen)
|
boer [ZND 14 (1926)], [ZND m], [ZND m] || Vertaal in het dialect en vul aan: De boer woont op een ... (Fr. ferme geef de verschillende namen voor grote en kleine bedrijven, indien er bestaan. [ZND 22 (1936)] || Waar de aangegeven meervoudsvorm afwijkt van de regelmatige -ǝ(n) achtervoeging, is dat hier opgenomen. Op kaart 5 zijn de verspreidingsgebieden van de Nederlandse afleidingen labeurder "boer" en labeuren "boeren" en "hard werken" van het Franse labeur aangegeven. [N 5A, 95b; A 3, 37; A 16, 22; A 20, 1b; L 1, a-m; L 4, 37; L 14, 6; S 4 en 6; Wi 15; monogr.]
I-6, III-3-1
|
| 33316 |
boerderij, algemeen |
erf:
˙ɛrǝf (Q253p Montzen)
|
Het gehele complex, alle opstallen te samen genomen. De oorspronkelijke betekenis van hof is "binnenhof, omheinde ruimte"; hier is sprake van ellips uit hofstede, "hoeve". Onder bedrijf is de specifieke betekenis van "boerenbedrijf" te verstaan; het algemene gedoen heeft ook diezelfde specifieke betekenis. De betekenis van labeur en labeuring is hier het gehele complex van het boerenbedrijf, vaak met de bijbetekenis van "waar zwaar werk wordt gedaan"; vergelijk de lemma''s "boeren" (1.1.8) en "werken op de boerderij" (1.3.10). Vele benamingen die voor de boerderij in het algemeen zijn opgegeven, zoals winning en hof, komen ook terug onder de specifieke boerderijnamen, zoals "eigen hoeve" en "pachthoeve". De geografische uitgebreidheden van deze termen verschillen van begrip tot begrip. Zie de betrokken lemmata van deze paragraaf. Staai is oorspronkelijk de benaming van een bepaalde boerderij bij het veer in Wanssum; de benaming correspondeert aan stade, een afleiding van staan. Bij schans wordt aangetekend: "hoeve met water rondom"; bij kraam: $$speciale betekenis$$ "boerderij". Munkhof correspondeert met monnikhof, te verstaan als "abdijhoeve". Kaart 1 is een verzamelkaart; ook de samenstellingen met hof,geleg, plaats en winning van het lemma "grote boerderij" (1.1.2) zijn erin ondergebracht. [A 10, 2a; A 11, 4; L 1, a-m; L 12, 1; L 22, 1; L 38, 20 en 22; S 4; Wi 4; monogr.; add. uit N 5A, 95; L 37, 11a]
I-6
|
| 33330 |
boerendochter |
boerenmeidje:
burǝmɛ̄tšǝ (Q253p Montzen)
|
I-6
|
| 20681 |
boerenkool |
kroezelkool:
krözjelkööl (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
[N Q (1966)]boerenkool als gerecht [N Q (1966)]
I-7, III-2-3
|
| 33331 |
boerenzoon |
boerenzoon:
burǝzōn (Q253p Montzen)
|
Bij halfersjong is de betekenis gespecificeerd: "pachterszoon".
I-6
|
| 24123 |
boerenzwaluw, zwaluw |
zwalber:
zweͅ‧ləbər (Q253p Montzen),
zwɛlbərə (Q253p Montzen)
|
zwaluw [ZND 08 (1925)] || zwaluw (mv.) [RND]
III-4-1
|
| 21605 |
boete |
boete:
būs (Q253p Montzen)
|
Boete [de boes]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|