| 17768 |
vinger |
vinger:
veŋər (Q253p Montzen),
vi̯ŋər (Q253p Montzen),
Mv. knuvele.
véŋər (Q253p Montzen)
|
vinger [RND], [ZND m], [ZND m]
III-1-1
|
| 28889 |
vingerhoed |
vingerhoed:
vęŋǝrhōt (Q253p Montzen)
|
Dopje of hoedje van harde stof, bijv. metaal, dat men bij het naaien over de top van een vinger zet om die te beschermen en aan de naald kracht bij te zetten. De vingerhoed is van boven dicht, dit in tegenstelling tot de naairing. Zie afb. 13. [N 59, 14; N 62, 67a; Gi 1.IV, 61; MW; monogr.]
II-7
|
| 17665 |
vingers (spotnamen) |
knoevelen:
knuvele (Q253p Montzen),
knuvələ (Q253p Montzen)
|
Spotbenamingen voor de vingers [N 109 (2001)] || vingers [ZND m]
III-1-1
|
| 19745 |
viooltje |
viool:
fioel (Q253p Montzen)
|
Viola, Fr. violette [ZND 34 (1940)]
I-7
|
| 28584 |
vizier |
venster:
vɛnstǝr (Q253p Montzen
[(van nylonweefsel)]
),
venstertje:
vɛnstǝrkǝ (Q253p Montzen)
|
Venster in de bijenkap, geweven van ijzer- of koperdraad, paardehaar of tegenwoordig ook nylon. [N 63, 74e; monogr.]
II-6
|
| 19602 |
vlaaischotel |
vlademschotel:
vlaamsjòttel (Q253p Montzen)
|
schaal, plat, om een vlaai op te dienen [flaaischottel] [N 07 (1961)]
III-2-1
|
| 21424 |
vlaams |
duits:
dŭtsch kale (Q253p Montzen),
dütsch (Q253p Montzen)
|
Hij kan Vlaams (Diets, Duuts) praten. [ZND 08 (1925)] || vlaams [ZND 23 (1937)]
III-3-1
|
| 24266 |
vlaamse gaai |
meerkolf:
mērkef (Q253p Montzen)
|
vlaamse gaai [ZND 01 (1922)]
III-4-1
|
| 21394 |
vlag |
vaan:
vān (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
vlag [ZND 17 (1935)]
III-3-1
|
| 29314 |
vlas |
vlas:
vlā.s (Q253p Montzen)
|
Linum usitatissimum L. De vlasteelt heeft, waarschijnlijk wel ten onrechte vanwege het vroege verdwijnen ervan, weinig aandacht gekregen in de enquêtes in Limburg; wellicht werd het verbouwen van vlas als een exclusief Vlaamse aangelegenheid beschouwd. Maar het is in Limburg zeker niet onbekend. De vlasteelt komt zijdelings ter sprake in de vakterminologie van de touwslager, zie aflevering II.7. Men onderscheidt wel vezelvlas, speciaal geteeld voor het maken van garens, en het kortere en meer vertakte olievlas, geteeld voor de oliehoudende zaadbollen; zie de lemmaɛs Lijnzaad, Vlaszaad en volgende in de vorige paragraaf. Het vlas wordt uitgetrokken (geplukt), tot bussels gebonden en op hopen te drogen gezet. Daarna wordt het gerepeld: de zaadbollen worden van de stelen verwijderd en gebroken met een dorsvlegel; het kaf ervan wordt aan de beesten gevoederd. De stengels worden vervolgens in een sloot geroot, waardoor het lint loskomt van de houtdelen van de stengel. Daarna wordt het vlas gebraakt, gezwingeld of gehekeld, om de houtachtige delen los te maken en te verwijderen. Het zijn drie verschillende handelingen, met verschillende toestellen (braak, zwingel en hekel), maar hetzelfde doel. Een braak bestaat gewoonlijk uit tandrollen; een zwingel is een soort molen en een hekel een plank met rechtop staande pinnen. Het lint wordt gesponnen en geweven tot linnengoed. Het vezelhoudende afval, of hede, wordt soms gebruikt voor grof weefwerk zoals meelzakken, maar meestal om reten in houten boten te stoppen, om gasbuizen af te dichten, enz. [Wi 54; monogr.]
I-5
|