| 19486 |
voetbankje |
bankje:
bɛŋskə (Q253p Montzen),
voetenbankje:
vōtəbɛŋskə (Q253p Montzen)
|
voetbankje [ZND 02 (1923)]
III-2-1
|
| 19812 |
voetenbankje |
voetenbankje:
et vōtebɛ̄ŋske (Q253p Montzen)
|
Het bankje om de voeten op te zetten [vootebenkske?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 33732 |
voetgangershek |
stegel:
stēgǝl (Q253p Montzen),
štēgǝl (Q253p Montzen)
|
Een smalle doorgang tussen weien of landerijen. Men kent verschillende vormen zowel van ijzer als van hout gemaakt. Nogal toegepast is een houten of een ijzeren kruis dat kan draaien op een zware paal. Verder komen voor een draaiende haspel of draaimolentje, een hek van latwerk, drie palen in een driehoek geplaatst, twee horizontale balken waar men doorheen moet kruipen, een klapdeurtje of vaste palen die een bocht vormen. De benamingen voor de verschillende vormen wijken zo weinig van elkaar af dat ze in één lemma zijn ondergebracht. [A 25, 6; A 25, 8; L 19B, 5a; L 19B, 6; S 43; monogr.]
I-8
|
| 18089 |
voetjicht |
pootje:
dä had et pötsche (Q253p Montzen),
pötsche (Q253p Montzen)
|
hij heeft voetjicht (pootje, kozijntjes, enz.; Fr. goutte) [ZND 01u (1924)] || voetjicht [ZND 05 (1924)]
III-1-2
|
| 24268 |
vogel, algemeen |
vogel (enk.):
vōͅgəl (Q253p Montzen)
|
vogel
III-4-1
|
| 24892 |
vogelwikke |
wikke(n):
wɛk (Q253p Montzen)
|
Vicia cracca L. Algemeen voorkomend klimmend onkruid in graslanden en bermen, aan bosranden en waterkanten met paarsblauwe bloempjes in langgesteelde trossen en lange stengels. Het bloeit van juni tot september. De lengte varieert van 30 tot 200 cm. Dit onkruid wordt vaak verward met ringelwikke (Vicia hirsuta (L.) S.F. Gray), waar het sterk op lijkt, maar dat kleiner is (15 tot 60 cm.) en blauwachtig witte bloempjes heeft, die van mei tot juli bloeien. Ringelwikke komt meer voor op zandige bermen en akkerland, waar het bijzonder schadelijk is voor het koren. Bij de opgaven wordt door de informanten vaak geen onderscheid gemaakt. Voor de typen rij, gerij en wilde liezen (en samenstellingen of contaminaties zoals rijwikke) is steeds aangegeven dat het om de kleinere ringelwikke gaat. Oorspronkelijk was dit bij rijf ook het geval, maar dit woord heeft op sommige plaatsen betekenisuitbreiding ondergaan en is "wikke in het algemeen", dus ook de grotere vogelwikke, gaan aanduiden. Hier en in andere woordtypen is aangegeven d.m.v. (groot) en (klein) om welke van de twee uitdrukkelijk aangegeven variëteiten het gaat. De typen met wik zijn ondergebracht bij wikke; de naam wikke zelf wordt wel als een meervoud geïnterpreteerd; vandaar de mogelijke meervoudsvorm van het woordtype wikke(n). De windende groeiwijze heeft geleid tot gemeenschappelijke namen met de haag- en akkerwinde; de groeiplaats in het koren tot gemeenschappelijke namen met de klaproos (de typen met kol) en de schadelijkheid tot enkele niet-specifieke onkruidbenamingen (onkruid, drek, knoei, vuiligheid). Vergelijk ook het lemma Voederwikke. [N 11A, 29e; N C 1a, 1b; N Q 1b; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-5
|
| 21533 |
volk (natie) |
volk:
vôk (Q253p Montzen)
|
volk [ZND m]
III-3-1
|
| 23585 |
volkszang |
gezang:
dər gəzāŋk (Q253p Montzen)
|
Volkszang, samenzang van de gelovigen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23692 |
volle aflaat |
volle aflaat:
dər volə ablas (Q253p Montzen)
|
Een volle aflaat. [N 96B (1989)]
III-3-3
|