| 30871 |
vrouwenleest |
leest voor vrouwenschoenen:
lę̄s vø̜r vrowǝšōn (Q253p Montzen)
|
De leest voor vrouwenschoenen. Het betreft de maten 36 tot en met 43. [N 60, 186e]
II-10
|
| 31107 |
vrouwewerk |
vrouweschoenen:
vrowǝšōn (Q253p Montzen)
|
Schoenwerk voor dames in de maten 36 t/m 43. [N 60, 205b]
II-10
|
| 22342 |
vuistslag op de rug |
dof:
dôf (Q253p Montzen)
|
Een slag met de vuist op de rug (bij sommige kinderspelen). [ZND 33 (1940)]
III-3-2
|
| 25879 |
vuurgat |
ring:
ręŋk (Q253p Montzen)
|
De bovenste ronde opening van de vuurhaard waar de ketel op stond. [N 57, 8d]
II-2
|
| 25877 |
vuurhaard |
oven:
ǫǝvǝnt (Q253p Montzen)
|
Het gedeelte van de stookplaats waar het vuur brandt. [N 57, 8b]
II-2
|
| 25125 |
waaienx |
winden:
wéŋe (Q253p Montzen)
|
waaien [ZND 13 (1925)]
III-4-4
|
| 21589 |
wacht |
wacht:
wak (Q253p Montzen)
|
(op) wacht [ZND m]
III-3-1
|
| 20740 |
wafel |
wafel:
wafel (Q253p Montzen)
|
wafel [ZND 08 (1925)]
III-2-3
|
| 34562 |
wagen |
wagel:
w˙āgǝl (Q253p Montzen)
|
Algemene benaming voor een voertuig op vier wielen met een dissel, waarmee men over het algemeen grote lasten vervoerde. Soms werd de wagen ook voor personenvervoer gebruikt. Meestal werden er twee of vier paarden voor gespannen. In de jaren na de tweede wereldoorlog werden de houten wielen geleidelijk aan vervangen door exemplaren met luchtbanden. Wagens komen over het algemeen minder vaak voor dan karren. In Haspengouw neemt de frequentie van de wagen als landbouwvoertuig af van zuid naar noord. Dit heeft te maken met het feit dat in de streek waar de landbouwgrond zwaarder is, de wagen meer in gebruik is. In de Kempen en de Maasvallei komt de wagen niet voor als landbouwvoertuig, maar kent men ze wel als bijvoorbeeld voertuig van de brouwer. In de streken waar de wagens pas in het midden van deze eeuw opgang maakten, kende men ze slechts met luchtbanden. [N 17, 4; N G, 51; JG 1a; JG 1b; JG 1d; Wi 4; L 27, 65; monogr.]
I-13
|
| 32188 |
wagenmaker |
esser:
e ̞sǝr (Q253p Montzen),
ęsǝr (Q253p Montzen),
ramaker:
rāmē.akǝr (Q253p Montzen)
|
De algemene benaming voor de vakman die karren, wagens en wielen vervaardigt en herstelt. Het woord stelmaker was ook bekend bij de respondenten uit Tegelen (L 270), Weert (L 289), Neer (L 294), Montfort (L 382), Limbricht (L 434), Genhout (Q 19b), Doenrade (Q 27), Oirsbeek (Q 33), Maastricht (Q 95) en Klimmen (Q 111). Het werd in de dialecten van die plaatsen echter niet gebruikt. Sommige zegslieden merkten ervan op dat het woord alleen in het zuiden van Nederlands-Limburg in plaatsen langs de Duitse grens gebruikelijk was. Reparaties aan de houten onderdelen van karren en wagens konden niet alleen door de wagenmaker, maar ook door de timmerman/schrijnwerker worden uitgevoerd. Zegslieden uit de volgende plaatsen gaven dit antwoord: Nederweert (L 288), Helden (L 291), Heythuysen (L 292), Bocholt (L 317), Horn (L 325), Bree (L 360), Gerdingen (L 360a), Gruitrode (L 366), Kessenich (L 370), Maasbracht (L 377), Montfort (L 382), Meeswijk (L 424), Stein (Q 15), Geleen (Q 21), Schinnen ( 32), Nuth (Q 36), Amby (Q 102), Berg en Terblijt (Q 103), Margraten (Q 192) en Vijlen (Q 208). Defecte metalen onderdelen van karren en wagens werden doorgaans door de plaatselijke smid hersteld. Dit was het geval in: Blerick (L 269), Houtblerick (L 269a), Tegelen (L 270), Venlo (L 271), Helden (L 291), Heythuysen (L 292), Urmond (Q 14), Stein (Q 15), Schinveld (Q 30), Brunssum (Q 35), Maastricht (Q 95), Sibbe (Q 101a), Amby (Q 102) en Wittem (Q 204). In Waubach (Q 117a) werd dit werk door een bankwerker gedaan. Die noemde men schlosser (šlø̜sǝr). Zie ook het lemma ɛkoudsmidɛ in wld II.11, pag. 2.' [N G, 1a; N G, 2; Lu 5, 18a-b; A 27, 18a-b; RND 77; L 34, 18; monogr.]
II-12
|