| 21604 |
werkdag, weekdag |
werkdag:
wèrdech (Q253p Montzen),
wèrdex (Q253p Montzen)
|
werkdag [ZND 08 (1925)]
III-3-1
|
| 19132 |
werken |
werken:
wirəkə (Q253p Montzen)
|
werken [RND]
III-3-1
|
| 33336 |
werken op de boerderij |
baggeren:
bāgǝrǝ (Q253p Montzen),
brakelen:
brākǝlǝ (Q253p Montzen),
pungelen:
pø̜ŋǝlǝ (Q253p Montzen),
tavelen:
tāvǝlǝ (Q253p Montzen),
zich plagen:
zex plǭgǝ (Q253p Montzen),
zich schinden:
zex šenǝ (Q253p Montzen)
|
Ook te verstaan als het doen van huishoudelijk werk in het boerenbedrijf. De belangrijkste termen in taalgeografische zin zijn ongetwijfeld schommelen en keuteren; deze zijn dan ook in kaart gebracht; vergelijk nog de behandeling van schommelen in Goossens 1963b. De op Nederlandse bodem ontstane afleiding labeuren van het Franse leenwoord labeur is in de semasiologische kaart 5 ondergebracht. Verreweg het grootste deel van de andere opgaven zijn expressief geladen uitdrukkingen met velerlei connotaties voor "hard werken, zich afsloven" in het algemeen. [JG 1b; L 8, 149, S 47; monogr. add. uit N 5A, 95a; L 37, 11c]
I-6
|
| 30880 |
werkstoel |
schoesterstoel:
šustǝštōl (Q253p Montzen)
|
De stoel zonder rugleuning, meestal met drie poten, of het krukje waarop de schoenmaker aan de werktafel zit te werken. [N 60, 193d; N 60, 193a; N 60, 193e]
II-10
|
| 25570 |
werktafel |
werkdis:
węrǝkdøjš (Q253p Montzen)
|
Het lage tafeltje waaraan de schoenmaker, op een werkstoel of kruk gezeten, werkt en waarop hij het gereedschap, speldnagels en dergelijke legt. Zie afb. 13. [N 60, 193a]
II-10
|
| 30848 |
wetsteen |
slijpsteen:
šlipštę̄n (Q253p Montzen),
wetsteen:
wętštę̄n (Q253p Montzen)
|
Een steen voor het wetten van messen. "Er zijn verscheidene soorten wetsteen en eerst en vooral de eigenlijke wetsteen is een zacht grijs steen, langwerpig omtrent 20 cm lang, 2,5 breed en 1,5 dik; men maakt hem nat om te gebruiken. Een ander soort wetsteen is een langwerpig ovaal gegoten mineraal. Anderen gebruiken een stalen wetter gelijk de beenhouwers bezigen." (Dierick, pag. 83). Een ingevette leren riem gebruikt men soms nog om wat bij te slijpen (Q 253) en de snede van het mes te verzachten. Zie ook wld I.3 pag. 54 s.v. wetsteen. Zie afb. 3. [N 60, 45]
II-10
|
| 17864 |
wiebelen |
waggelen:
waggele (Q253p Montzen)
|
Wiebelen: onvast heen en weer bewegen (wiebelen, kwikken, kwikkelen, wiegelen, waggelen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 33300 |
wieden, algemeen |
geden:
gē̜nǝ (Q253p Montzen),
uitdoen:
ūt˲duǝ (Q253p Montzen)
|
Onkruid bestrijden in het algemeen, ongeacht de manier waarop of het gereedschap waarmee dat gebeurt. Vergelijk ook de meer specifieke handelingen in de andere lemmaɛs van deze paragraaf. De benamingen voor het object onkruid, dat in de woordtypen tussen haken is geplaatst, vindt men in het lemma Onkruid, Algemeen. [N 15, 2; N Q, 11b; JG 1a, 1b, 2c; A 47, 11b; L B2, 272; L 8, 92; S 43, Wi 39; monogr.; add. uit N 18, 8b; A 39, 1b]
I-5
|
| 34574 |
wiel |
rad:
rat (Q253p Montzen),
meervoud
rā.r (Q253p Montzen)
|
Algemene benaming voor het wiel van een kar of een wagen. De karren en wagens hebben aanvankelijk houten wielen met daarrond een ijzeren band, om slijtage tegen te gaan. Na de tweede wereldoorlog werden deze houten wielen geleidelijk aan vervangen door wielen met luchtbanden. Afhankelijk van de omtrek heeft een wiel tien tot veertien spaken. [N 17, 57a-b + add; N 18, 99 + add; N G, 4; JG 1a + 1b; Gi 1,1; L 20, 21; L 38, 41; A 2, 60; A 4, 21; A 43, 1a-b; Wi 5; S 29; monogr.]
I-13
|
| 23554 |
wierook |
wierook:
dər wīrōk (Q253p Montzen)
|
Wierook [wierek, wierooch?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|