| 23453 |
wijzerplaat van het torenuurwerk |
cijferblad:
et siferblat (Q253p Montzen)
|
De wijzerplaat van de torenklok. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23454 |
wijzers van het torenuurwerk |
wijzers:
der wīzer (Q253p Montzen)
|
De wijzers van de torenklok. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24277 |
wilde eend |
eend:
ènt (Q253p Montzen)
|
eend [ZND 01 (1922)]
III-4-1
|
| 17576 |
wilde hoofdharen |
struivelhaar:
ṣtruvəlhōr (Q253p Montzen),
wild haar:
wēl hōr (Q253p Montzen)
|
Wilde hoofdharen (struivelen, duivelshaar, varkenshaar). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 24611 |
wilde roos (hondsroos, enz.) |
wilde rozenstruik:
verzamelfiche ZND01, a-m; ZND01, u 051 en ZND15, 004; deze laatste ook bij Har Brok
welle rausestroek (Q253p Montzen)
|
egelantier [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 32859 |
wilde zuring |
surelle (fr.):
sy`ręl (Q253p Montzen)
|
Wilde zuring of veldzuring, een algemeen voorkomende plant met rood uitziende stelen en een losse aarachtige bloemtop die in de weiden en langs de sloten groeit: Rumex acetosa (tot 50 cm hoog) of Rumex acetosella (25 cm hoog). Botanici onderscheiden vele variëteiten, die ongetwijfeld tussen de onderstaande namen zijn terug te vinden. Naamsverwarring met de klaverzuring (Oxalis acetosella), die van een andere familie is dan de veldzuring, slechts 10 cm hoog en met drietallige blaadjes gelijkend op de gewone klaver, is zeker niet uit te sluiten. De meest voorkomende volksnamen voor deze plant bevatten het element klaver-; daarom zijn deze apart geplaatst (groep B). Onder C staan nog enkele volksnamen die doorgaans andere planten aanduiden, zoals hazebrood (voor Luzula, veldbies), hondsribbe (voor Plantago lanceolata, smalle weegbree) en suikerij (voor Taraxacum, paardebloem); zie ook de toelichting bij het lemma ''oude grassoorten''. Wel moet onderscheid gemaakt worden tussen de hier behandelde wilde zuring die als onkruid wordt beschouwd en die de koeien niet eten (en dus moet worden bestreden) en de tamme zuring die als groente wordt gekweekt. De Limburgse volksnamen voor deze laatste plant komen ter sprake in de afleveringen over het Boerenhuis bij de moestuin. Zie afbeelding 1.' [N 14, 84a; JG 1b, 2c; L 34, 57; monogr.]
I-3
|
| 24557 |
wilg (alg.) |
wijde:
wij (Q253p Montzen),
∂n wij (Q253p Montzen)
|
wilg [ZND 14 (1926)]
III-4-3
|
| 19074 |
willen |
willen:
Mar.;: dit ww. komt niet voor in WBD 1.4; in deze lijst komt het gehele werkwoord ook niet voor! Niet gebruiken?
ich wél, dow wéls, hèa wélt (Q253p Montzen)
|
ik wil, gij wil, hij wil ik wou, gij woudt, hij wou wil hij nu? wou hij gisteren? wou hij het maar doen! [ZND 08 (1925)]
III-1-4
|
| 17596 |
wimper |
plimp:
plêmp (Q253p Montzen)
|
wimper [ZND m]
III-1-1
|
| 25207 |
wind (alg.) |
wind:
wenk (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
wênt (Q253p Montzen)
|
wind [ZND 01 (1922)], [ZND 01u (1924)], [ZND 13 (1925)]
III-4-4
|