| 21087 |
zemelen |
klijen:
kl ̇iǝ (Q253p Montzen)
|
De bij het malen van graan afgescheiden en fijngemaakte hulzen van de korrels, die na het zeven als grofste afval overblijven. In Q 99* kent men zowel zemelen als klijen. De laatstgenoemde term wordt gebruikt voor de velletjes in het zeefsel. Zie ook het lemma ɛzemelenɛ in wld II.1, pag. 83. Het materiaal dat hier is opgenomen, vormt een aanvulling op het genoemde lemma in wld II.1.' [S 45; N O, 38d; N O, 38e; JG 1a; JG 1b; JG 2c; Vds 250; Jan 141; Coe 219; Grof 249; monogr.]
II-3
|
| 17681 |
zenuw |
nerv (du.):
nɛrəf (Q253p Montzen)
|
Zenuw (zenuf, zeen, nerf). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 23513 |
zeswekenmis |
zeswekenmis:
də zeswɛəkəmēs (Q253p Montzen)
|
Een mis die zes weken na iemands overlijden wordt opgedragen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17826 |
zetten |
het been vormen:
ǝt bę̄n fǫrǝmǝ (Q253p Montzen),
zetten:
ze.tə (Q253p Montzen)
|
Het overleer van laarzen of bottines met behulp van een houten vorm naar de vorm van het been uitspannen. Volgens de informanten van K 278 en Q 253 gebeurt dit vóór het bevestigen van het bovenwerk aan het onderwerk. Knöfel (I, pag. 189) beschrijft het zo: "Onder "walken" (inpinnen, zetten) verstaat men de bewerking, waardoor men aan deze en gene schachtdelen den vorm geeft, welke vereischt wordt om ze met den voet- en beenvorm in overeenstemming te brengen. [N 60, 67] || zetten [ZND m]
II-10, III-1-2
|
| 19718 |
zeven |
zijen:
zęjǝ (Q253p Montzen)
|
Het sap door een zeef laten lopen. Voor de fonetische documentatie van {sap} en {broei} zie men het lemma ''sap''. [N 57, 22]
II-2
|
| 33146 |
zeven met de handzeef |
zijen:
zīi̯ǝ (Q253p Montzen)
|
Zaaigraan winnen uit het met de wan gezuiverde graan door het te zeven. [N 14, 41b, 42b en 43b; JG 1a, 1b; Wi 43; S 45; monogr.]
I-4
|
| 17693 |
zeveren |
zeveren:
zēvere (Q253p Montzen)
|
Het kind zevert (als het tanden krijgt). [ZND 08 (1925)]
III-1-1
|
| 21298 |
zich bemoeien met |
bemoeien:
bəmøjə (Q253p Montzen)
|
ik kan me daarmee niet bemoeien [ZND 21 (1936)]
III-3-1
|
| 17938 |
zich haasten |
zich touwen:
WNT: touwen (I), B): Zich haasten, spoeden.
zich towø (Q253p Montzen)
|
Zich haasten (zich haasten, zich spoeden, spujen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 24047 |
zich laten inschrijven voor het huwelijk bij de pastoor |
zich inschrijven bij de pastoor:
zəX bĕ dər pastuər laotə ɛɛfrīvə (Q253p Montzen)
|
Zich laten inschrijven voor het huwelijk bij de pastoor, "naar pastoor gaan". [N 96D (1989)]
III-3-3
|