| 28596 |
zwavel, sulfer |
solfer:
sǫlfǝr (Q253p Montzen)
|
Lichtgele, licht ontvlambare chemische stof waarvan de bij verbranding vrijkomende dampen dodelijk zijn voor de bijen. [N 63, 78c; JG 1b; Ge 37, 209]
II-6
|
| 24930 |
zwavelx |
zwagel:
ps. boven de è staat nog een lengteteken; deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.
zwègel (Q253p Montzen)
|
zwavel [ZND 08 (1925)]
III-4-4
|
| 33995 |
zweep |
smik:
šmek (Q253p Montzen)
|
Voorwerp om het paard aan te drijven, bestaande uit een steel (cf. lemma Steel) en een snoer (cf. lemma Snoer). [JG 1a, 1b, 2b, 2c; L 8, 141; L 14, 31; L B2, 244; N 13, 94; S 47; Wi 5, 10; monogr.]
I-10
|
| 18105 |
zweer |
zweer:
ẓwɛ̄r (Q253p Montzen)
|
Zweer: huidontsteking vaak met ettervorming ten gevolge van een infectie (zweer, zwerage, zwerije). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 18055 |
zwellen |
zwellen:
žwélə (Q253p Montzen)
|
zwellen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 22826 |
zwemmen |
zwemmen:
sjwemə (Q253p Montzen),
žweͅ.m.ə (Q253p Montzen)
|
zwemmen [RND] || Zwemmen. [ZND m]
III-3-2
|
| 28506 |
zwerm |
zwerm:
zwɛrǝm (Q253p Montzen),
žwɛ̄rǝm (Q253p Montzen)
|
Het geheel van bijen met koningin dat de korf of kast verlaat. Een zwerm bestaat doorgaans uit een koningin, 10- tot 20-duizend werkbijen en een paar honderd darren. Zij zullen een nieuwe woning gaan zoeken. [N 63, 29d; S 3; L 1a-m; JG 1a+1b; Ge 37, 100; A 9, 6; monogr.]
II-6
|
| 28489 |
zwermcel |
zwermcel:
zwɛrǝmsɛl (Q253p Montzen)
|
Koninginnecel of moerdop die in de zwermtijd wordt bijgebouwd. De zwermcel heeft een dikke, ronde bodem. [N 63, 26c; N 63, 26b; N 63, 24c]
II-6
|
| 28505 |
zwermen |
zwermen:
žwɛrǝmǝ (Q253p Montzen)
|
Het verlaten van korf of kast van een deel van het bijenvolk onder aanvoering van een koningin. Zij gaat een nieuw volk vormen. Een dag of acht, negen, voordat de nieuwe moer of koningin uit de koninginnecel komt, verdwijnt de oude moer met een deel van het volk. De moer wordt door de werkbijen wat meer voor het vliegen geschikt gemaakt door haar enorme legtempo wat te temperen. Dit doen ze door het eiwitrijke voedsel, dat de moer anders krijgt, wat te minderen. Het zware achterlijf slinkt dan in en de moer krijgt krachten om de vleugels te kunnen uitslaan of anders gezegd om te kunnen zwermen. [N 63, 29a; S 3; L 1a-m; JG 1a+1b; Ge 37, 99; monogr.]
II-6
|
| 18005 |
zweten |
zweten:
gezwét (Q253p Montzen),
žwe͂.tə (Q253p Montzen)
|
wij hebben daar gezweet [ZND 08 (1925)] || zweten [ZND m]
III-1-2
|