| 21410 |
zwijgen |
zwijgen:
zwige (Q253p Montzen),
zwĭge (Q253p Montzen)
|
Ik zal maar zwijgen. [ZND 08 (1925)] || zwijgen [ZND m]
III-3-1
|
| 31092 |
zwikblok, werkblok |
ezel:
ęzǝl (Q253p Montzen)
|
Een verstelbaar ijzeren apparaat op een paal waarop de schoen bewerkt wordt. Daartoe is in de leest een opening, waarin het uiteinde van de ene arm van het blok past; de punt van de schoen rust op de andere arm, terwijl dan met een schroef de beide armen worden vastgezet, waardoor de schoen tevens vaststaat. Het werk aan het blok was het begin van de industriële schoenmakerij (Liedmeier, pag. 30). [N 60, 158a]
II-10
|
| 19301 |
zwoegen |
taffelen:
tāvele (Q253p Montzen)
|
Ik heb moeten zwoegen. [ZND 08 (1925)]
III-1-4
|
| 21113 |
zwoord |
zwaard:
sjwaat (Q253p Montzen),
zwāt (Q253p Montzen),
žwā:t (Q253p Montzen)
|
zwoerd (harde rand van een snede spek) [ZND 08 (1925)] || zwoerd (van spek) [N 07 (1961)]
III-2-3
|