| 20387 |
bruidegom |
bruidegom:
1a-m; 22, 29a;
brūūdəgaam (Q253p Montzen),
trouwer:
dər trowər (Q253p Montzen)
|
bruidegom [ZND 01 (1922)] || de bruidegom [brudejam] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 23221 |
bruidje in de processie |
bruidje:
e bruudsje i gen broonk (Q253p Montzen),
engeltje:
eŋəl(še) (Q253p Montzen),
eŋəlsjə (Q253p Montzen),
éngelsche (Q253p Montzen)
|
Bruidje in de processie. [N 07 (1961)] || Een in het wit gekleed meisje in de processiestoet [bruidje, maagdje, ingelche]. [N 96C (1989)] || Een maagdeken (klein meisje, dat in een processie gaat). [ZND 01u (1924)] || Hoe heten de kleine meisjes die in de processie gaan? [ZND 22 (1936)]
III-3-3
|
| 20389 |
bruidsjapon |
bruidskleed:
ət brutsklēt (Q253p Montzen)
|
de bruidsjapon, het bruidskleed [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 20370 |
bruidsjonker |
bruidsknecht:
dər brutsknɛət (Q253p Montzen)
|
de bruidsjonker [brönker] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 20371 |
bruidsmeisje |
bruidsmeid:
də brutsmāt (Q253p Montzen)
|
het bruidsmeisje [brönkesje] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 20385 |
bruidspaar |
koppeltje:
ət køpəlsjə (Q253p Montzen)
|
het bruidspaar [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 20372 |
bruidssluier |
trouwsluier:
dər trowsløjər (Q253p Montzen)
|
de sluier van de bruid, trouwsluier [sleuer] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 20375 |
bruidsstoet |
trouw-cortge:
dər trowskòrtɛɛf (Q253p Montzen)
|
de bruidsstoet [broeds-tsoch] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 28491 |
bruidsvlucht |
bruidsvlucht:
brutsvloxt (Q253p Montzen)
|
Vlucht die de jonge koningin of moer onderneemt om bevrucht te worden door één of meerdere darren die met haar meevliegen. Meestal vindt deze vlucht plaats tussen de vijfde en zevende dag na haar uitlopen. Hoog in de lucht vindt de bevruchting plaats. Slechts één periode in haar leven wordt de moer of koningin bevrucht. De ene dar die haar bevrucht, moet deze daad met de dood bekopen. De moer keert uit het luchtruim met het bevruchtingsteken, de bij de paring afgerukte mannelijke geslachtsdelen, in haar lijf naar haar woning terug. De werkbijen bijten die darrenoverblijfselen weg en na korte tijd kan de moer met haar enige taak, het eieren leggen, beginnen. [N 63, 58; Ge 37, 44]
II-6
|
| 20390 |
bruiloft |
hoogtijd:
də hoXsit (Q253p Montzen),
1a-m; 22, 29b; cf. VD D-N s.v. "Hochzeit"= bruiloft
hôêchtsīēt (Q253p Montzen)
|
bruiloft [ZND 01 (1922)] || de bruiloft, het huwelijksfeest [hoeëchtsiet] [N 96D (1989)]
III-2-2
|