| 18523 |
buitenzak op een jas |
uitentas:
ødə tɛ̄jš (Q253p Montzen)
|
de buitenzak [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 28499 |
bultbroed |
pokkelbroed:
pukǝlbrūt (Q253p Montzen)
|
Darrenbroed ontstaan uit eitjes van een leggende werkbij. De cellen worden door de werksters in dit geval voorzien van een zeer hoog gewelfd deksel, vandaar de benaming bultbroed. Bultbroed kan echter ook ontstaan, wanneer een gewone moer onbevrucht is gebleven of door ouderdom of letsel niet langer in staat is bevruchte eieren af te zetten. Deze moer wordt dan ook darrenbroedig. [N 63, 62b; N 63, 27; N 63, 24b]
II-6
|
| 21303 |
buskruit |
pulver (<lat.):
po⁄lvər (Q253p Montzen)
|
buskruit [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 33129 |
bussel uitgedorst stro |
wats:
wats (Q253p Montzen)
|
Wanneer het graan uit de aren is geslagen, worden de lege halmen bijeengebonden, vroeger met twee banden. Sinds de komst van de dorsmachines worden de halmen doorgaans dubbel geplooid en met één band in het midden gebonden, of tot pakken geperst. De grondbetekenis van schans is "takkebos, mutserd"; die van het du. Bürde "datgene wat gedragen wordt". Zie ook de toelichting van het lemma ''garve, gebonden schoof'' (4.6.4).' [N 14, 26; JG 1a, 1b, 2c; L 17, 16; L 22, 33b; L 48, 34.3a; Lu 2, 34.3a; R [s], 65; S 5; Wi 16 en 17; monogr.; add. uit R 3, 70 en R 14, 19 en uit het materiaal van lemma 4.6.4 waarbij is aangetekend dat het om gedorste garven gaat]
I-4
|
| 20223 |
buurman |
nabuur:
nā:bər (Q253p Montzen),
nōͅ:bər (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
buurman [ZND 17 (1935)], [ZND 22 (1936)], [ZND m]
III-3-1
|
| 20241 |
buurt |
nabuurschap:
ə wont i gən nābəršaf(t) (Q253p Montzen)
|
Hij woont in de buurt [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 21305 |
buurten |
hoetelen:
s avonds bij schemerdonker voor den haard praten
uətələ (Q253p Montzen),
netelen:
tussen dag en donker kaiten
nêtele (Q253p Montzen)
|
buurten [ZND m] || Hoe heet het gebruik in de winter s avonds bij de buren te gaan zitten praten? [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 21304 |
buurvrouw |
nabuurse:
nā:bəšə (Q253p Montzen)
|
buurvrouw [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 23398 |
calvarieberg op het kerkhof |
calvarie (<lat.):
der kalvɛ̄r (Q253p Montzen)
|
De beeldengroep op het kerkhof, bestaande uit Jezus aan het kruis en aan weerskanten daarvan Maria en Johannes [Calvariegroep, kruisgroep, Calvarieberg?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 31005 |
cambreur |
inlaag:
ę̄lǭx (Q253p Montzen)
|
Het stukje hout of stijf leer dat in de holte van de voet tussen de binnenzool en de loopzool wordt gelegd. Knöfel (I, pag. 47) heeft het in dit verband over een stalen veer: "Men zal bij den platvoet steeds waargenomen hebben, dat hij vooral op den voorkant der hak loopt, terwijl de achterkant der hak van den vlakken grond afstaat; dit is een teeken dat het geleng te zwak was. Men gebruike daarom als campereur een zeer sterke stalen veer, die den vorm moet hebben van het hol der leest." Zie afb. 43. [N 60, 89b]
II-10
|