| 28514 |
afkomen, wegvliegen |
uitzwermen:
utžwɛrǝmǝ (Q253p Montzen)
|
Het wegvliegen van een zwerm. Op een zonnige dag, meestal tussen 11 en 14 uur, gaan duizenden en duizenden werkbijen, vergezeld van honderden darren en met de oude moer in hun midden, zwermen. [N 63, 31b]
II-6
|
| 23691 |
aflaat |
aflaat:
dər ablas (Q253p Montzen)
|
Een aflaat [ablas?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 31025 |
aflappen |
het boord naaien:
ǝt bǭǝt niǝnǝ (Q253p Montzen)
|
Het aan elkaar naaien van de rand of tussenzool en de loopzool. "Op de zool wordt nu een groef gesneden, waarna het "aflappen" een aanvang kan nemen. Met een els wordt een gaatje gemaakt in den rand en in de groef van de zool, de draad wordt erdoor gehaald en dit herhaald, totdat de geheele zool aan den rand, die aan het boventuig vastzit, is vastgenaaid." (Directie, pag. 301). Zie afb. 47. [N 60, 109]
II-10
|
| 17722 |
afloeren, bespieden |
afkijken:
āfkikə (Q253p Montzen),
afzien:
āfziə (Q253p Montzen)
|
Afloeren (afkijken, uitloeren). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 29039 |
afpersen |
opstrijken:
opštrīkǝ (Q253p Montzen)
|
Het kledingstuk voor de laatste keer zoveel als nodig is persen. [N 59, 82]
II-7
|
| 23734 |
afraffelen |
afrappelen:
ə gəbɛt āfrapələ (Q253p Montzen)
|
(te) snel bidden, een gebed afraffelen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 34245 |
afromen |
aflaten:
aflǭtǝ (Q253p Montzen)
|
De room van de melk scheppen. Men kon de room van de melk scheiden door met een houten latje de room tegen te houden, terwijl de ontroomde melk door de tuit van de in schuine stand gehouden roomschotel wegvloeide. Een andere methode was de melk overgieten of aflaten in een andere kruik of emmer, terwijl men de aan de oppervlakte gevormde room tegenhield door blazen. Een modernere manier van scheiden van room en melk gebeurde met de melkmachine of centrifuge. [A 23, 3; Lu 1, 3; JG 1a, 1b, 1d; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 31055 |
afstijfselen |
de lap stijven:
dǝr lap štīvǝ (Q253p Montzen)
|
De zool en/of de rand met stijfsel insmeren. [N 60, 121b]
II-10
|
| 29030 |
aftekenen met krijt |
tekenen met knijt:
tēkǝnǝ męt knīt (Q253p Montzen)
|
In verband met het passen de kledingstukken aftekenen met krijt. [N 59, 75; N 59, 74]
II-7
|
| 25740 |
aftrekken |
insmeren:
ę̄šmę̄rǝ (Q253p Montzen)
|
Het met was bestrijken van de schoen. [N 60, 134b]
II-10
|