| 23319 |
deugd |
tugend (du.):
də tūgənt (Q253p Montzen)
|
Deugd. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19684 |
deur |
deur:
d ̇ø̜̄r (Q253p Montzen)
|
[rnd 109; S 6; L 1 a-m; L 12, 5; L A2, 265; monogr.; Vld.; div.]
II-9
|
| 25878 |
deurtje |
deur:
dø̄r (Q253p Montzen)
|
Het ijzeren deurtje waardoor het vuur gestookt kan worden. [N 57, 8c]
II-2
|
| 23652 |
devotiecommunie |
werkelijke kommunion (du.):
de werəkələgə komyniuən (Q253p Montzen)
|
De devotie-communie. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18035 |
diarree |
afgang:
āfgāŋk (Q253p Montzen)
|
Diarree, buikloop (prutsj, loperij, aan de schiet, dunne, weke). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 30991 |
dichtbinden |
de schoen rijen:
dǝr šōn rejǝ (Q253p Montzen)
|
Het met touw dichtbinden van de veteropening, voordat men begint met overhalen. Zie ook het lemma overhalen. [N 60, 82]
II-10
|
| 28552 |
dichtmaken van de woning |
verkitten:
vǝrkitǝ (Q253p Montzen)
|
Het dichtmaken van spleten en openingen in de bijenwoning met propolis. [N 63, 53b; N 63, 53a; Ge 37, 142]
II-6
|
| 21310 |
dief |
dief:
dī:f (Q253p Montzen),
dé:f (Q253p Montzen),
schelm:
sèlem (Q253p Montzen),
spitsboef:
spétsbōf (Q253p Montzen)
|
dief [ZND 01 (1922)]
III-3-1
|
| 32690 |
diep |
diep:
d ̇ēp (Q253p Montzen)
|
In dit lemma worden de plaatselijke varianten gegeven van het woord diep, voorzover dat - evenals de termen voor het tegengestelde begrip (zie het lemma ondiep) - gebruikt wordt of kan worden in verbinding met een werkwoord voor "ploegen". Voor het begrip "diep ploegen (vóór het zaaien)" kent men in bepaalde streken een speciale term waarin het woord diep niet voorkomt. Daarvoor zie men het volgende lemma [JG 1a + 1b; N 11, 39 + 42b + 46; N 11A, 107a + 108a; L 23, 8a; A 20, 1b; A 27, 24b; monogr.]
I-1
|
| 24300 |
dier, beest |
beest:
hier ook opgenomen mat. van ZND 21, 011
bei̯st (Q253p Montzen),
biəst (Q253p Montzen),
dier:
ook in ZND 23, 009
dīr (Q253p Montzen)
|
beest [ZND 01 (1922)] || dier [ZND 01 (1922)]
III-4-2
|