e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
donderbeestje dondervliegje: dondərvlexskə (Montzen) donderbeestje: Kent u in uw dialect een woord om de zeer kleine zwarte beestjes aan te duiden die mij naderend onweer ploseling op de mens komen zitten? [N100 (1997)] III-4-2
donker, duisterx donker: dóͅ.ŋkəl (Montzen), dôngkel (Montzen), duister: duuster (Montzen), dy(3)̄.stər (Montzen), düster (Montzen) (`t is hier) donker [ZND 23 (1937)] || donker [ZND m] || donker [donkel, duuster, domp] [N 06 (1960)] III-4-4
dood (bn.) dood: dôêt (Montzen) dood; ¯t kindje was - eer (dat) ze ¯t konden dopen [RND] III-2-2
dood (zelfst.nw.) dood: 1a-m; 23, 21  DīOīET (Montzen) dood (subst.; na den dood) [ZND 01 (1922)] III-2-2
doodskist zerk: ət zɛrək (Montzen, ... ) de doodskist [N 96D (1989)] || De doodskist. [N 96D (1989)] III-2-2, III-3-3
doodsklok doodsklok: de doeëtsklòk (Montzen) De klok die geluid wordt na het overlijden en/of bij de begrafenis van iemand [dôdsklok, dódsklok, dödsklok, doeëdsklok?]. [N 96A (1989)] III-3-3
doodzonde doodzonde: duətsøŋ (Montzen) Doodzonde, dodelijke zonde [doeëdzund]. [N 96D (1989)] III-3-3
doof doof: dô.f (Montzen) doof [ZND m] III-1-1
dooier (het) dool: dau̯l (Montzen), dōl (Montzen), dǭl (Montzen), eierdool: ai̯ǝrdōl (Montzen) Het geel van het ei. [RND 123; L 1a-m; L 3, 8; L A2, 383; JG 1b, 1c, 2c; monogr.] I-12
doop doop: dôp (Montzen), ən dōp (Montzen) Doop. [ZND 01 (1922)] || Een doop. [N 96D (1989)] III-3-3