| 18112 |
eksteroog |
hesteroog:
heͅstəro.w (Q253p Montzen),
hèstrou (Q253p Montzen)
|
eksteroog [ZND m] || eksteroog (op de tenen, fr. cor) [ZND 19 (1936)]
III-1-2
|
| 28846 |
elastiek |
elastiek:
ēlastik (Q253p Montzen)
|
Band- of koordvormig stuk gummi. Elastiek komt voor als enkele draad of als gevlochten of geweven band, in verschillende breedten, en het kent vele toepassingen. [N 59, 42; N 62, 61; L 34, 86; MW; monogr.]
II-7
|
| 24504 |
els |
schoesterszuil:
sxustǝsžyl (Q253p Montzen),
zuil:
zyl (Q253p Montzen)
|
Het gebogen, puntige instrument om gaatjes voor het naaien vóór te steken. Men kent een spanels, een doornaaiels en een bros. Dierick zegt op pag. 83: "Het klein en broos werktuig dat een schoenmaker dagelijks te gebruiken heeft is het elsen. Daar zijn er verscheidene grootten en soorten. De elsens om binnenzolen te naaien zijn gekromd en moeten geschikt zijn licht of zwaar volgens het werk; een lang, zwaar elsen is goed voor zwaar manswerk en om in te rijgen. Een zwaar elsen om licht te naaien is altijd af te keuren, daar een fijne draad niet goed sluiten kan in de wijde gaten door het elsen in de binnenzool gemaakt en dus geen vaste naad kan voortbrengen. Gewoonlijk is de punt van een nieuw elsen te dik en moet wat verscherpt worden om goed door het leder te kunnen steken; het gebeurt wel eens dat de punt afkraakt, dit kan hersteld worden met er een aan te slijpen. Het elsen moet in een houten handvatsel vastgezet worden en moet er recht in zitten; het mag noch achteruit noch vooruit hellen en bijzonderlijk niet scheef of men is elke steek in gevaar het te breken, en de hand te kwetsen. [N 60, 176a; N 60, 234; N 60, 176c; S 28; L 5, 62; L B2, 238; L 40, 72; Wi 13; A 27, 17; monogr.]
II-10
|
| 19686 |
emmer |
tob:
to.p (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
top (Q253p Montzen)
|
De soms van hout vervaardigde emmer voor het vullen van de perskuip of het scheppen van sap. In L 387 gebruikte men voor het scheppen van het sap een houten "bruiemmer", terwijl men voor het vullen van de pers een metalen emmer hanteerde. [N 57, 19] || emmer [ZND 08 (1925)], [ZND 24 (1937)]
II-2, III-2-1
|
| 17703 |
endeldarm |
dikke darm:
dekə dɛ̄rəm (Q253p Montzen)
|
Endeldarm (aarsdarm, gatdarm, kakdarm, einddarm). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 23263 |
engel |
engel:
iŋəl (Q253p Montzen),
ənə eŋəl (Q253p Montzen)
|
Een engel [ingel, èngel]. [N 96D (1989)] || Een engel, twee engelen. [ZND 34 (1940)]
III-3-3
|
| 23713 |
engel des heren |
angelus:
dər a͂gəlys (Q253p Montzen)
|
Het "Engel des Heren"of "Angelus", het gebed bij het Angelus-luiden. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23898 |
engelbewaarder |
schutzengel (du.):
ənə sjøtseŋəl (Q253p Montzen)
|
Een beschermengel, bewaarengel, engelbewaarder, schutsengel. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24062 |
engelenmis |
engelsmis:
ən eəlsmēs (Q253p Montzen)
|
Een Engelenmis, een lijkdienst voor een kind dat jonger is dan zeven jaar en de eerste H. Communie nog niet heeft gedaan. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24313 |
engerling, larve van de meikever |
warb (wa.):
DL 705
warbó (Q253p Montzen)
|
engerling, meikeverlarve [ZND 34 (1940)]
III-4-2
|