e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
enkel enkel: eŋkel (Montzen), zich agenen énkel stoete (Montzen) enkel [ZND m] || ik heb mijn enkel stuk gestooten [ZND 01u (1924)] III-1-1
enten griffelen: grifələ (Montzen) [RND 08] I-7
epidemie plaag: də plōx (Montzen) Epidemie: een besmettelijke ziekte die zich zeer snel uitbreidt (epidemie, besmettelijke ziekte). [N 107 (2001)] III-1-2
epistel epistel (<lat.): epistəl (Montzen) De eerste lezing, het epistel [t/dn epistel, epiestel?]. [N 96B (1989)] III-3-3
ereboog triomfboog: dər triomfbōX (Montzen), triomfbōch (Montzen) De ereboog voor de jonge priester. [N 96D (1989)] || Een triumfboog of ereboog ter versiering van de straten [triejoemfboaëg]. [N 96C (1989)] III-3-2
ereboog voor de jonge priester triomfboog: dər triomfbōX (Montzen) De ereboog voor de jonge priester. [N 96D (1989)] III-3-3
ereboog voor het bruidspaar triomfboog: dər triomfbōX (Montzen) de ereboog voor het bruidspaar [N 96D (1989)] III-2-2
ericaborstel nagelenbred: nɛ̄gǝlbrɛt (Montzen) Bepaald soort borstel met beweeglijke stalen pennen die de heidehoning in de raat moet losmaken, voordat hij geslingerd wordt. Sommige honingsoorten, met name de heidehoning, laten zich niet gemakkelijk slingeren door hun eigenschap van vast worden. Deze honing moet dan eerst door een borstel of iets dergelijks losgemaakt worden. Voor het gebruik moet men de borstel opwarmen. [N 63, 125a; monogr.] II-6
erwt, algemeen erwt: ē̜ǝ.t (Montzen), ɛrt (Montzen), ɛ̄ǝ.ts (Montzen) Pisum L. Hier de algemene benaming voor de erwt (enkelvoud), voorafgaand aan de benaming voor de akkererwt (lemma Kapucijner, Velderwt) en aan de andere erwtensoorten (tuinerwt, doperwt, peulerwt, enz.) die in de moestuin worden gekweekt en die derhalve in de aflevering over de moestuin ter sprake zullen komen. [N 27, 2b; JG 1a, 1b; L A1, 121; L 34, 94; Wi 8; monogr.; add. uit N P, 24] I-5
erwten- of bonenranken ranken: ring (Montzen) [N Q (1966)] I-7