| 23615 |
feestpredicatie |
predik:
də prɛ̄dəch (Q253p Montzen)
|
Een feestpredikatie. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21127 |
fiets |
rad (<du.):
Algemene opmerking: lijst zo letterlijk mogelijk overgenomen (dus niet(s) omgespeld, omdat er geen (duidelijk) spellingssyteem vermeld staat).
ət rat (Q253p Montzen),
velo:
Algemene opmerking: lijst zo letterlijk mogelijk overgenomen (dus niet(s) omgespeld, omdat er geen (duidelijk) spellingssyteem vermeld staat).
dər velo (Q253p Montzen)
|
Wat is de dialectbenaming voor een rijwiel in het algemeen [N 99 (1991)]
III-3-1
|
| 28452 |
fijn broed |
bijencel:
bejǝsɛl (Q253p Montzen)
|
De cellen bestemd voor het uitbroeden van werkbijen en het opbergen van honing. De zwerm begint altijd met het bouwen van dit fijn werk of de werkbijenraat. Deze raat bestaat uit kleine, in doorsnede vrijwel gelijke zeszijdige cellen, waarbij het punt waar drie zijden samenkomen steeds het midden vormt van het bodemvlak der aan de andere zijde van de raat gelegen cel. [N 63, 16b]
II-6
|
| 18121 |
fijt |
kwaad ding:
kotéŋk (Q253p Montzen)
|
fijt [ZND m]
III-1-2
|
| 23264 |
flambouw |
lucht:
??
lYst (Q253p Montzen)
|
Een lantaarn met daarin een brandende kaars die tijdens de processie naast het Allerheiligste werd meegedragen, flambouw. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 30800 |
flank |
flank:
flaŋk (Q253p Montzen)
|
Het gedeelte van de huid dat de flank bedekt. Volgens de informant van L 292 is het leer hiervan minder van kwaliteit maar zeer geschikt voor de binnenhaam. Zie afb. 1. [N 60, 3e; N 60, 3d; N 60, 247; N 36, 5; N 36, 4; N 36, 6b]
II-10
|
| 20838 |
flauw |
lauw:
lēi̯ (Q253p Montzen)
|
flauw, smakeloos [RND]
III-2-3
|
| 18024 |
fluimen uitspuwen |
koeten:
kūtə (Q253p Montzen)
|
Fluimen uitspuwen (tuffen, kwalsteren, klarken, kaatsjen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 28760 |
fluweel, velours |
sameet:
samɛt (Q253p Montzen),
velours:
vlūr (Q253p Montzen)
|
Weefsel met een bovenkant met rechtopstaande garenuiteinden, ontstaan door een bijzondere afwerking. De binding bestaat uit een grondweefsel, in effen of keper, waartussen draden, die over grotere afstanden los liggen. Door deze door te snijden en op te borstelen ontstaat een pluche-achtig haardek: pool. Door zacht ruwen wordt het ø̄pluizenø̄ bevorderd, waarna de pool op een bepaalde lengte wordt afgeschoren (Bonthond s.v. ø̄fluweelø̄. [N 62, 78; N 62, 75f; 59, 201; MW; L 1a-m; L 23, 57a; S 9; monogr.]
II-7
|
| 30994 |
fouten bij slecht overhalen |
vouwen:
(enk)
vǫw (Q253p Montzen)
|
Fouten die ontstaan, doordat men bij het overhalen het leer niet goed aantrekt. [N 60, 87]
II-10
|