| 32848 |
gras |
gras:
grā.s (Q253p Montzen)
|
De algemene benaming voor het gewas, zo uitvoerig mogelijk gedocumenteerd, zodat in de volgende lemma''s naar deze opgaven en naar de klankkaart kan worden verwezen. Op de klankkaart van het type gras zijn de vormen met betoning niet apart aangegeven; men kan bij dit woord aannemen dat het in het gehele polytone gebied sleeptoon heeft. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enquêtes in kaart gebracht.' [N 14, 88a; JG 1b, add.; Wi 54; S 11; L 1 a-m; L 1u, 75; L 20, 26a; L 35, 65; L. 39, 41; A 2, 54; A 4, 26a; A 4, 28; RND 111; monogr.]
I-3
|
| 32862 |
gras (af)maaien |
afmaaien:
āf[maaien] (Q253p Montzen)
|
Hieronder worden de specifieke woorden voor het maaien van het gras opgenomen; vergelijk de toelichting bij het voorgaande lemma. Het object is in alle gevallen "gras". Het woordtype afmaaien is hier het frequentst; per variant van af- staan hier eerst de vormen waarvan het tweede element identiek is aan de in het voorgaande lemma fonetisch gedocumenteerde opgaven voor maaien; daarna de daarvan afwijkende opgaven voor -maaien. [N 15, 15a add.; N 18, 79 add.; A 23, 16 add.; L 35, 85; RND 122 add.; Lu 1, 16 II add.; monogr.]
I-3
|
| 24158 |
grasmus |
taats:
grasmus
tâts (Q253p Montzen)
|
grasmus [ZND m]
III-4-1
|
| 32852 |
grasspriet |
grasspiertje:
[gras]sperǝkǝ (Q253p Montzen)
|
Stengel of halm van de grasplant; een enkel smal blaadje. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) ''gras'' het lemma ''gras''. [N P, 4a; monogr.]
I-3
|
| 17886 |
graven |
graven:
grā:və (Q253p Montzen)
|
graven [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 23480 |
graven (mv.) |
graven:
de grāve (Q253p Montzen)
|
De graven meervoud [graaf, graver, jraver, grèèver?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34210 |
grazen |
weiden:
wɛi̯ǝ (Q253p Montzen)
|
Zie afbeelding 8. [N 3A, 10; monogr.]
I-11
|
| 23578 |
gregoriaanse misgezangen |
gregoriaanse gezangen:
də gregoriānesjə gəzɛŋ (Q253p Montzen)
|
Gregoriaans, gregoriaanse gezangen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33462 |
grendel |
schoude:
šǫu̯ (Q253p Montzen),
šǭu̯ (Q253p Montzen),
vregel:
verǝkǝl (Q253p Montzen),
vē̜ ̞rǝkǝl (Q253p Montzen),
vęrǝkǝl (Q253p Montzen)
|
Opgenomen zijn de benamingen voor een schuifgrendel in het algemeen. Het materiaal liet niet toe na te gaan of er mogelijk verschil in benamingen is tussen een ronde of een platte grendel. In P 211 is een grendel rond en een schaaf plat, in Q 196 is een schoude plat. Voor andere plaatsen is een dergelijk onderscheid niet onwaarschijnlijk. Onder het woordtype schoude zijn enkele op -x-auslautende vormen geplaatst die wellicht ook verband houden met onder schaaf geplaatste vormen. Niet met zekerheid kon worden nagegaan of er sprake was van een wisseling f - g (schaaf) of van j - g (schoude). Onder vregel moet wel een draaibare grendel worden verstaan; onder sloop een grote, zware grendel en onder veter een hangslot. [N 7, 47; L 6, 50; L 35, 86; div.; monogr.]
I-6
|
| 21495 |
griffel |
griffel:
gri.fəl (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
griffel [ZND m]
III-3-1
|