| 23964 |
heiligschenner |
heiligdomschender:
ənə heləXdomsjɛndər (Q253p Montzen)
|
Een heiligschenner, -schender. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23963 |
heiligschennis |
heiligdomschending:
heləXdomsjɛndoŋ (Q253p Montzen)
|
Heiligschennis, heiligschending, heiligschenderij, sacrilegie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 33726 |
hek aan de ingang van een wei |
barrier:
barēr (Q253p Montzen),
vouwer:
vau̯wǝr (Q253p Montzen)
|
In dit lemma zijn vooral de antwoorden ondergebracht van de vragen naar ø̄hek aan de ingang van een weiø̄ (N 14, 67), ø̄een (toegangs)hek, gevlochten van twijgen en opgehangen tussen twee stijlen, dat in een omheining is aangebracht of op een dam (in een sloot) is geplaatstø̄ (A 25, 5a), ø̄een hek, slag- of draaiboom op een doorgang naar akker of weide, of ter versperring van een weg in privaatbezitø̄ (L 19B, 6). [N 14, 67; A 25, 5a; L 19B, 6; Vld.; JG, 2c; monogr.]
I-8
|
| 19488 |
hek, poortje |
barier:
barēr (Q253p Montzen),
gaard:
gār (Q253p Montzen),
garnei:
garnai̯ (Q253p Montzen)
|
afsluiting [ZND m]
III-2-1
|
| 23906 |
hel |
hel:
də høl (Q253p Montzen)
|
De hel [hèl, höl]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19915 |
hemel |
hemel:
dər heməl (Q253p Montzen),
himəl (Q253p Montzen),
hiəməl (Q253p Montzen)
|
De hemel [himmel, heemel]. [N 96D (1989)] || hemel [RND] || Hemel. [ZND 01 (1922)]
III-3-3
|
| 23241 |
hemelvaartsdag |
christi hemelvaart:
kristiheməlvāt (Q253p Montzen)
|
Hemelvaart, Hemelvaartsdag [Hiemelvaart, Himmelvaatsdag, Himmelvaat, Kriste hiemmelvaat]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 27358 |
hennep |
hennep:
hɛnǝp (Q253p Montzen),
kemp:
kɛmp (Q253p Montzen)
|
Cannabis sativa L. De tot een paar meter hoog opgroeiende eenjarige plant met getande zesvingerige bladeren. Van de vezels vervaardigt men touw en grof linnen voor zeilwerk. Het zaad is oliehoudend en wordt ook wel als vogelvoer gebruikt. Hennep is een tweehuizige plant, zodat men kan spreken van mannelijke en de vrouwelijke planten. De mannelijke (Cannabis sativa mas L.) groeit aanvankelijk harder, maar sterft ook eerder af. Hij is tengerder dan de vrouwelijke en levert alleen vezels. De vrouwelijke (Cannabis sativa foemina L.) is veel forser, draagt het zaad en levert de beste vezels. Door het forse uiterlijk van de vrouwelijke plant wordt deze vaak aangezien voor de mannelijke. In dit lemma worden onder A. eerst de algemene benamingen gegeven. Voor zover bekend volgen onder B. de benamingen voor de vrouwelijke en onder C. die voor de mannelijke hennep. Zie Brok 1973 en 1984. [A 49, 14a en 14b; L A1, 91; L 1, a-m; L 1u, 87; L 15, 6; Wi 52; S 13; monogr.; add. uit JG 1d]
I-5
|
| 30886 |
hennepgaren |
hanf:
hanǝf (Q253p Montzen)
|
Het grove hennepgaren waar men pekdraad van draait. [N 60, 196a; N 60, 238b; N 36, 44]
II-10
|
| 34440 |
herdershond |
schaapshond:
šǭpshōnt (Q253p Montzen),
schepershond:
søpǝrshōnt (Q253p Montzen),
šē̜pǝrshǫnt (Q253p Montzen)
|
Hond van verschillend ras die door de herder wordt gebruikt ter bewaking van de schaapskudde. [N 7, 68; N 78, 21a; L 6, 30; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|