| 32704 |
watervoor |
trekvoor:
tręk˲[voor] (L115p Mook),
watervoor:
wǭtǝr[voor] (L115p Mook)
|
Een watervoor is een meestal wat diepere voor die men vóór de winter over de akker trekt, om overtollig water te laten afvloeien. Een watervoor kan dwars op de normale ploegvoren liggen, in het midden van de akker (bij uiteenploegen), tussen de delen van een in panden geploegde akker of ook wel om de (reeds ingezaaide) akker heen. In het algemeen brengt men watervoren aan op laaggelegen of natte gronden, akkers met een laagte erin of op een hellende akker om te voorkomen dat de grond wordt uitgespoeld. De benamingen kunnen ook gebruikt worden voor de middenvoor (omdat deze vaak als watervoor fungeert), verder voor de brede of grove voren van een akker die "op de wintervoor" is gelegd om hem te laten uitvriezen of voor ondiepe waterlopen, greppels en geulen in het algemeen. [N 11, 59b; N 11A, 137k; N 11A, 137i add.; div.]
I-1
|
| 22860 |
weddenschap |
weddenschap:
wɛdənschap (L115p Mook)
|
weddenschap [RND]
III-3-2
|
| 21247 |
weg |
weg:
wɛx (L115p Mook)
|
weg [RND]
III-3-1
|
| 33663 |
wei |
wei:
węi̯ (L115p Mook)
|
In het algemeen een stuk weiland of grasweide waar het vee graast. Bedoeld is een niet-omheinde weide. [N 14, 50a; N 14, 50b; N 5AøIIŋ, 76d; N 5AøIIŋ, 76e; N M 4a; L 19B, 2a!; L A2, 430; L 4, 40; L 32, 45; JG 1b, 1d, 2c; A 10, 3; A 3, 40; RND 20; Wi 4; R; S 43; Vld.; N 14, 129 add.; monogr.]
I-8
|
| 32809 |
weiland bewerken met de kettingeg |
slepen:
[slepen] (L115p Mook)
|
De onderstaande termen veronderstellen "de wei" als object. Sommige ervan kunnen wel-licht ook absoluut gebruikt worden; zij bete-kenen dan "werken met de kettingeg" zonder meer, wat men niet alleen in de wei, maar ook op het veld kan doen. Voor ''eggen'' + ''eggen'' en ''slepen'' zie men de desbetreffende lemmata. [JG 1a; N 11A, 172f; div.]
I-2
|
| 32744 |
wendakkerhoeken |
hoeken:
hukǝ (L115p Mook),
hȳk (L115p Mook),
de volgende opgaven zijn enkelvoud
huk (L115p Mook),
tompen:
tø̄mp (L115p Mook),
de volgende opgaven zijn enkelvoud
tõmp (L115p Mook)
|
Bij het ploegen van de keerstrook of wendakker blijft, behalve als men na elke voor bij het keren de ploeg terugtrekt en aan de kant inzet, aan beide zijden van de wendakker een vierkant of rechthoekig keerstrookje over, dat thans vaak onbewerkt blijft, maar vroeger veelal met de schop (soms met de riek) werd omgewerkt. Een enkele keer diende het voor een ander gewas dan op de rest van de akker verbouwd werd. [N 11, 50b; N 11A, 125c; A 33, 7; N P, 1]
I-1
|
| 32633 |
wentelploeg |
wendelploeg:
węndǝl[ploeg] (L115p Mook),
zaadploeg:
zǭt[ploeg] (L115p Mook
[(jonger dan zaaiploeg)]
),
zaaiploeg:
zǭi̯[ploeg] (L115p Mook
[(met een ander vocalisme dan zɛ̄i̯ǝ)]
)
|
Een wentelploeg is een karploeg met tenminste twee ploeglichamen, die - boven elkaar aan de ploegboom bevestigd - elkaars spiegelbeeld vormen en bij het keren samen met de ploegboom 180° worden gedraaid. Aan de boom van zulk een ploeg zitten gewoonlijk ook twee kouters en twee voorscharen. Vroeger kon de wentelploeg ook een voet- of radploeg zijn. Omdat de ploegboom van een dergelijke ploeg niet in zijn geheel gedraaid kon worden, was het dubbele ploeglichaam draaibaar bevestigd aan het achterstuk van de ploegboom. Dit type wentelploeg heet achterwentelaar of staartwentelaar. Een voet- of radploeg met een ploeglichaam dat onder de ploegboom door gewenteld kan worden, wordt wel onderwentelaar genoemd. [JG 1b + 1b; JG 2a-1, 6 ; JG 2b-4, 1; N 11, 30; N 11A, 71 + 72 + 73; N J, 10 add.; N 27, 14 + 15 add.; A 27, 24 add.; monogr.]
I-1
|
| 19132 |
werken |
werken:
wɛrkə (L115p Mook)
|
werken [RND]
III-3-1
|
| 32813 |
wielen van de cultivator |
grote raden:
grōǝtǝ [raden] (L115p Mook),
klein rad:
klē̜n rat (L115p Mook)
|
De wielcultivator, die van achteren steeds twee wielen heeft, wordt van voren ondersteund door een klein zwenkwiel ofwel - en dan betreft het meestal een zwaarder model - door een tweewielig voorstel. [N 11, 78a add.; N 11IA, 151; monogr.]
I-2
|
| 20852 |
wijn |
wijn:
wīēn (L115p Mook)
|
wijn [RND]
III-2-3
|