| 17998 |
huivering |
schudder:
šud.ər (Q252p Moresnet)
|
huivering [gril] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17959 |
hurken |
(zich) hukken:
ze.x hu.kə (Q252p Moresnet, ...
Q252p Moresnet,
Q252p Moresnet)
|
hurken, op zijn ~ gaan zitten [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 20444 |
iemands overlijden aanzeggen |
op de begrafenis nodigen:
znd 32, 71;
op e begreffenis nuedigen (Q252p Moresnet)
|
de buren en kennissen op iemands begrafenis uitnodigen [ZND 32 (1939)]
III-2-2
|
| 24174 |
ijsvogel |
ijsvogel:
ī.sfōͅ:gəl (Q252p Moresnet)
|
ijsvogel (16,5 schitterend blauwgroen boven, steenrood onder; vliegt snel over beek, sloot en langs ven; broedt in gat in steile over; vangt visjes; vrij zeldzaam [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 34001 |
inspannen |
aanspannen:
āšpanǝ (Q252p Moresnet)
|
Het opgetuigde paard voor een kar met berries spannen. Men plaatst het tussen de berries, waaraan de draagriem, de brede buikriem, en de strengen worden vastgemaakt. Voor andere voer- en landbouwwerktuigen wordt het paard niet in- maar aangespannen. De term inspannen werd echter ook enkele keren in de hier behandelde betekenis opgegeven. [JG 1b; N 8, 98a; RND 74]
I-10
|
| 18050 |
jeuken |
jeuken:
jø͂ͅə.kə (Q252p Moresnet)
|
jeuken, het begint te jeuken [öksele, euke, juike, juuke] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 18192 |
jurk |
kleed:
e blo kleed (Q252p Moresnet)
|
blauw kleed [ZND 32 (1939)]
III-1-3
|
| 17602 |
kaak |
bak:
ba.kə (Q252p Moresnet)
|
kaak [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 17603 |
kaakbeen(rand) |
raak:
ra͂.kə (Q252p Moresnet)
|
kaakrand waarin de tanden staan [raak] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17743 |
kaal (zijn), kaal hoofd |
kletskop:
kleͅ.tškop (Q252p Moresnet),
plaat:
plēͅ.t (Q252p Moresnet),
volle maan:
vo.lə moͅnt (Q252p Moresnet)
|
kaal hoofd (hebben) (spotbenamingen) [kletskop, hij is bij het goevernement] [N 10 (1961)]
III-1-1
|