| 20336 |
zuster |
zuster:
zuster (Q022p Munstergeleen)
|
zuster [haar] [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 20626 |
zuurdeeg |
zuurdesem:
zūrdē̜jsǝm (Q022p Munstergeleen)
|
Door gisting verzuurd deeg, gebruikt als rijsmiddel om nieuw brood te maken. Het is overschot van het deeg dat de vorige keer is gebakken. Met zuurdeeg wordt roggebrood gebakken, terwijl voor witbrood brouwersgist wordt gebruikt. Het zuurdeeg wordt in een bepaalde vorm, meestal broodvorm, gekneed en aan de bovenkant van een gaatje voorzien waarin een handvol zout wordt gedaan. Ook maakt men met de vinger wel eens een kruisje waarop men dan zout strooit. Tot de volgende bakdag wordt het zuurdeeg in de baktrog of in een doek of pot of in de kelder bewaard. Voor het gebruik wordt de droge korst van het zuurdeeg afgesneden en de rest in warm water gebrokkeld en geweekt (Weyns blz. 45). [N 29, 23a; N 16, 75; N 29, 23b; L 1a-m; L 2, 21b; LB 2, 236; OB 2, 4; OB 2, 6; JG 1b add.; S 6; S 6 add.; monogr.]
II-1
|
| 25555 |
zuurdeeg maken |
desemen:
dęjsǝmǝ (Q022p Munstergeleen)
|
Een restant van het deeg een poos laten "rijpen", totdat het zuurdeeg is geworden en het aldus verkregen zuurdeeg gebruiksklaar maken. [N 29, 23b; S 6; monogr.]
II-1
|
| 20541 |
zuurdesem |
zuurdesem:
zōērdeisem (Q022p Munstergeleen)
|
Zuurdeeg, gebruikt i.p.v. gist (heevel?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20679 |
zuurkool |
kappes:
kappes (Q022p Munstergeleen),
zuurmoes:
zoermoos (Q022p Munstergeleen)
|
zuurkool [SGV (1914)] || Zuurkool (zoerkolle, suuremoes?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20680 |
zuurkoolstamppot |
kappes ondereen:
kappes ongerein (Q022p Munstergeleen)
|
Stamppot van aardappelen en zuurkool [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 17883 |
zwaaien |
zwaaien:
zwèjje (Q022p Munstergeleen)
|
zwaaien [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 29944 |
zwaaihaak |
zwaaihaak:
žwɛjhǭk (Q022p Munstergeleen)
|
Winkelhaak waarvan handvat en veer ten opzichte van elkaar beweegbaar zijn. Met een schroef kan men de veer in de gewenste hoek vastzetten. De zwaaihaak wordt gebruikt om hoeken op te meten. Zie ook afb. 5. [N 30, 13c; monogr.]
II-9
|
| 21407 |
zwaard |
zwaard:
ps. boven de ê staat nog een lengteteken; deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.
zjwêrd (Q022p Munstergeleen)
|
zwaard (wapen) [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 32864 |
zwad, houw |
geslok:
gǝšlǫk (Q022p Munstergeleen),
slok:
šlǫk (Q022p Munstergeleen)
|
De hieronder opgenomen woorden zijn van toepassing op de hoeveelheid gras die de maaier met één slag van de zeis afmaait en die links van hem blijft liggen. Het Algemeen-Nederlandse woord zwad betekent zowel deze reep afgemaaid gras alsook de regel of rij gras die op het veld ontstaat als men een baan gemaaid heeft. Dit laatste begrip, de regel afgemaaid gras, komt in het volgende lemma ter sprake, onder de titel ''gezwad''. In sommige streken zijn de volksnamen voor beide onderscheiden begrippen aan elkaar gelijk. Deze gevallen zijn op kaart 9 aangegeven. Bij sommige woorden, zoals schaar, riem, zeissel, springt het betekeniselement "hoeveelheid, opbrengst" in het oog. Bij schob denkt men in de eerste plaats aan de graanoogst; daar betekent het doorgaans de hoeveelheid aren die men voor een halve schoof met één slag van de zicht of de zeis afmaait; hier is het waarschijnlijk overdrachtelijk gebruikt. Zie ook het lemma ''rij'', ''wiers''. Voor de volledigheid van dit kleine woordveld vergelijke men ook het lemma ''graanzwad'' in de aflevering over de Akkerbouw.' [N 14, 92; JG 1a; A 16, 1a; Lu 1, 16 add.]
I-3
|