| 19826 |
kat |
kat:
kát (L367p Neerglabbeek),
poes:
(sleeptoon)
pûs (L367p Neerglabbeek)
|
kat [Goossens 1b (1960)] || poes
III-2-1
|
| 22311 |
katapult |
flits:
flits (L367p Neerglabbeek)
|
Hoe noemt men het speeltuig, bestaande uit een gevorkt takje, aan de uiteinden waarvan een elastiekje is vastgemaakt en waarmee jongens steentjes wegschieten? [Lk 01 (1953)]
III-3-2
|
| 23213 |
katholiek |
katholiek (<fr.):
ijnə kathəliēk (L367p Neerglabbeek)
|
Een katholiek: bestaat er een scheldnaam (vooral in verkiezingstijd gebezigd)? [ZND 27 (1938)]
III-3-3
|
| 28768 |
katoen |
katoen:
kętūn (L367p Neerglabbeek)
|
Uit katoendraden geweven stof. Leverancier van de katoendraad is een kruid-, struik- of boomachtige plant ø̄voor het grootste deel verbouwd in Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Egypte (macco of mako), Oost-Indië, China, Ethiopië en Ruslandø̄ (Bonthond, s.v. ø̄katoenø̄). [N 62, 85; N 62, 77; N 62, 75c; N 59, 201; MW; L 1a-m; L 27, 73; L 41, 40a; S 17; monogr.]
II-7
|
| 24179 |
kauw |
kauwtje:
kauwkə (L367p Neerglabbeek),
tauw:
kleinste soort kraai
tauw (L367p Neerglabbeek)
|
kauw || kerkkauw [ZND 27 (1938)]
III-4-1
|
| 23273 |
kazuifel |
kazuifel:
ej kasūfəl (L367p Neerglabbeek)
|
Een kazuifel (misgewaad; de uitspraak juist weergeven). [ZND 36 (1941)]
III-3-3
|
| 33781 |
keel |
keel:
kē̜.l (L367p Neerglabbeek),
strot:
strű̄ǝ.t (L367p Neerglabbeek)
|
Zie afbeelding 2.16. [JG 1a, 1b; N 8, 29]
I-9
|
| 32739 |
keerstrook, wendakker |
voordel:
vīǝ.rǝl (L367p Neerglabbeek)
|
Een keerstrook of wendakker is de strook grond aan het uiteinde van een akker waar de ploeg gekeerd wordt. Deze strook ligt dwars op de voren van het groot geploegd middendeel. Als men aan het voor- en achtereinde van de akker niet op een belendend perceel of op een (veld)weg kan keren, heeft men twee keerstroken nodig. De keerstrook werd oorspronkelijk onbebouwd gelaten, later werd ook zij geploegd. Een aantal benamingen kunnen ook gebruikt worden voor een strook grond in het algemeen; soms wordt er op gewezen dat men via de keerstrook toegang tot het perceel heeft. De strook is breder dan normaal als zij in de lengterichting aan een afrastering of haag grenst. [N 11, 50a; N 11A, 125b; JG 1a + 1b + 1c; JG 2b + 2c; A 18, 2; A 33, 3 + 4 + 5; L B2, 246; L 34, 47; monogr.]
I-1
|
| 19926 |
keffen |
keffen:
keffə (L367p Neerglabbeek, ...
L367p Neerglabbeek)
|
keffen [ZND 01 (1922)], [ZND 27 (1938)]
III-2-1
|
| 22418 |
kegelen |
kegelen:
keigele (L367p Neerglabbeek)
|
Zij zijn aan het kegelen. [ZND 36 (1941)]
III-3-2
|