| 24494 |
tak (alg.) |
tak:
tak (L321p Neeritter),
tek (L321p Neeritter)
|
(jonge) takken mv. [DC 41 (1966)] || tak [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33018 |
tak op ingezaaid land |
rijs:
ris (L321p Neeritter)
|
De tak, stok of bundel stro die men op de pas ingezaaide akkers plaatste om aan te geven dat deze niet betreden mochten worden door jagers en anderen. Voor streep, zie WNT s.v. in de betekenis "grensteken". [N M, 26; monogr.]
I-4
|
| 24727 |
takken (coll.) |
tak (mv.):
tek (L321p Neeritter)
|
takken (mv.) [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33632 |
takkenbos, bussel hout |
fascine (fr.):
(lang).
fesinen (L321p Neeritter),
krik:
krik (L321p Neeritter),
schans:
(kort).
sjans (L321p Neeritter)
|
inventarisatie benamingen takkenbos, bussel takken en twijgen alnaargelang houtsoort of boslengte [N 27 (1965)] || takkenbos, bussel takken en twijgen [N 27 (1965)]
I-7
|
| 33690 |
talud |
berm:
bɛrm (L321p Neeritter)
|
De aflopende kant van een weg, dijk of sloot. Een aantal woordtypen duidt op een sloot of greppel naast de weg, terwijl gevraagd was naar de ø̄aflopende kant van een weg, dijk, of slootø̄. [N M, 27; N 11, 7a; N 11, 7b; monogr.]
I-8
|
| 17760 |
tand |
tand:
tandj (L321p Neeritter),
tantj (L321p Neeritter),
tàntj (L321p Neeritter)
|
tand [DC 01 (1931)], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 17761 |
tanden |
tanden (mv.):
tenj (L321p Neeritter)
|
tanden [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 32914 |
tanden van de hooihark |
tanden:
tɛnj (L321p Neeritter)
|
De houten pennen die aan beide zijden uit de dwarsbalk van de hooihark steken; zie afbeelding 11, d. Alle opgaven zijn in het meervoud. [N 18, 92d]
I-3
|
| 32584 |
tanden van een riek |
tanden:
tɛnj (L321p Neeritter)
|
Van de opgesomde termen zijn de niet-samengestelde meestal ook toepasselijk op de tanden van de mesthaak en van de hooivork. Voor het aantal tanden dat een riek kan hebben, zie men het vorige lemma. [N 11A, 13b + 17b; div.; monogr.]
I-1
|
| 31212 |
tandrad, tandwiel |
kamrad:
kamprāt (L321p Neeritter),
tandrad:
tantjrāt (L321p Neeritter)
|
Wiel dat op de omtrek van tanden voorzien is; deze tanden grijpen weer in die van een ander tandrad of een tandstang. Tandraderen dienen om de draaiende beweging van een as op een andere as over te brengen. [N 33, 280a; monogr.; div.]
II-11
|