| 20864 |
koffie |
koffie:
koffie (L368p Neeroeteren),
kèpke koffie (L368p Neeroeteren)
|
(koffie) hij doopt zijn brood in zijn koffie [ZND 23 (1937)] || kopje koffie [ZND 45 (1946)]
III-2-3
|
| 20840 |
koffie zetten |
opschudden:
Nelleke hauw òs èè lekker zjetsje koffie opgesjödsj
opsjödde (L368p Neeroeteren)
|
koffie of thee zetten
III-2-3
|
| 20588 |
koffiedik |
dras:
Oppe bujem van het koffiekenke laag nogal vèèl dras Dès andere thee dan koffiedras: dat is wel iets anders, hè
dras (L368p Neeroeteren)
|
drap
III-2-3
|
| 33812 |
koffievos, brandvos |
donkelbruin:
duŋkǝlbrūn (L368p Neeroeteren)
|
Vospaard met donkerbruine of koffiekleurige vacht. [N 8, 63i en 63j]
I-9
|
| 20787 |
koken (intr.) |
koken:
kūkə (L368p Neeroeteren),
plaats met frequent behoud van "n"in auslaut
kōēkə(n) (L368p Neeroeteren)
|
koken [RND], [ZND 04 (1924)]
III-2-3
|
| 20800 |
koken (tr.) |
koken:
Kuke kost geld: wie iets wil verwezenlijken, mag niet op de kosten besparen
kuke (L368p Neeroeteren)
|
koken
III-2-3
|
| 33888 |
kolder |
kolder:
kǫldǝr (L368p Neeroeteren)
|
Kolder (< lat. cholera) is een slepende, ongeneeslijke hersenaandoening, die aanleiding geeft tot stoornissen in de beweging en de bloedsomloop. De uiterlijke verschijnselen zijn: onhandelbaarheid, niet willen werken, een sufferig uiterlijk, het hoofd laag houden en de oren laten hangen, evenals een waggelende gang. Deze vorm van aandoening wordt stille kolder genoemd. Bij verergering van de ziekte wordt het paard wild, draait in het rond en slaat op hol. Dan spreekt men van razende kolder. [A 48A, 37; N 8, 90p; monogr.]
I-9
|
| 19636 |
kolengruis |
gruis:
gries (L368p Neeroeteren),
gruus (L368p Neeroeteren),
kolengruis:
koelengries (L368p Neeroeteren),
koeëlegries (L368p Neeroeteren)
|
gruis van kolen [ZND 35 (1941)]
III-2-1
|
| 19634 |
kolenschop |
schoep:
šōp (L368p Neeroeteren),
schup:
šøp (L368p Neeroeteren)
|
kolenschop, brede schep waarmee men kolen langs het keldergat naar binnen doet [ZND 42 (1943)]
III-2-1
|
| 26382 |
kolk |
kolk:
kø̜j.k (L368p Neeroeteren)
|
De holte in de bedding van de beek of de rivier achter het molenrad van onderslagmolens, veroorzaakt door de scheut van het water. Volgens Janssen (pag. 46) werd de kolk vroeger uitgegraven om de kracht van het water te breken en te beletten dat de sluiswerken ondermijnd werden. Zie afb. 71. [Vds 60; Jan 65; Coe 57; Grof 81]
II-3
|