| 18322 |
bandschort met borststuk |
scholk:
schollek (L312p Neerpelt)
|
schort met borststuk en schouderbanden [schortel, scholk, sjutsel] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 19114 |
bang |
bang:
nie bang zien (L312p Neerpelt)
|
(Niet bang zijn), duw maar. [ZND 23 (1937)]
III-1-4
|
| 21633 |
bankbiljet |
briefje:
ps. omgespeld volgens Frings. Het -tekentje heb ik letterlijk overgenomen.
ə ⁄brifkə (L312p Neerpelt)
|
bankbiljet, banknoot, een ~ [briefke?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25477 |
banketbakkerij |
patisserie:
patisserie (L312p Neerpelt)
|
Voor het banketbakken is er een aparte werkplaats. [N 29, 105e]
II-1
|
| 18613 |
baret |
baret (<fr.):
baret (L312p Neerpelt)
|
baret [flat, floets] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18173 |
barrevoets |
barrevoets:
baerəvuts (L312p Neerpelt),
berrevoets (L312p Neerpelt),
bɛrəvyts (L312p Neerpelt)
|
barrevoets [ZND 19 (1936)] || blootvoets [RND]
III-1-3
|
| 19730 |
bed |
bed:
beͅt (L312p Neerpelt),
sponde:
bedsponde; spinde in bet. van kast of kamer bestaat niet
spoͅən (L312p Neerpelt)
|
bed [RND] || spinde (kast of kamer) [ZND B1 (1940sq)]
III-2-1
|
| 19487 |
beddenbak, ressortbak |
beddenkant:
bedəkant (L312p Neerpelt)
|
Houten gedeelte van een bed (Nederl. ledikant; Fr. bois du lit) [ZND 02 (1923)]
III-2-1
|
| 19754 |
beddenlaken |
laken:
lākə (L312p Neerpelt)
|
Een laken (op een bed) [ZND 34 (1940)]
III-2-1
|
| 21454 |
bedelaar |
bedelaar:
do waren er drei die de bèdeleir gezien hawen (L312p Neerpelt),
schooier:
schū[i}jer (L312p Neerpelt),
schŭĕr (L312p Neerpelt),
arme mens die komt bedelen
sxuiərə (L312p Neerpelt)
|
Er waren drie mensen die de bedelaar hadden gezien [ZND 46 (1946)] || kent ge het woord schooien ? (uitspraak + betekenis) [ZND 42 (1943)] || leurder [ZND 28 (1938)]
III-3-1
|