| 20647 |
slappe koffie |
zwadder:
Syst. Frings
zwadər (L312p Neerpelt)
|
Slappe koffie (lierie, loerie, zwadder, zwoelie, poelie, poelespaat, poelieprats, laarie, paalie, pèùjt, merriezèèjk?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33751 |
slecht gesneden hengst |
piet:
pit (L312p Neerpelt)
|
Bij de piet is slechts één teelbal uitgesneden; men kan daarom spreken van een halfgelubde hengst. Bij de klophengst zijn één of beide zaadballen niet uit de buikholte ingedaald; hij mag niet voor de kweek gebruikt worden, omdat dit erfelijk is, en wordt door het verbrijzelen der teelballen met een houten hamer ongeschikt gemaakt tot de voortteling. Wie veel fokmerries bezit, gebruikt wel eens een klophengst om uit te proberen of de merries hengstig zijn en alzo de kostbare dekhengsten te sparen. [JG 1a, 1b; N 8, 20, 61a en 61b; monogr.]
I-9
|
| 18946 |
slecht mens, slechte kerel |
bandiet:
⁄n bandiet (L312p Neerpelt),
loebas:
⁄n loebas (L312p Neerpelt),
sloeber:
⁄n sloeber (L312p Neerpelt)
|
Een zeer slecht mens (galgenaas). [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 22344 |
slee |
slee:
en sleej (L312p Neerpelt),
n slee (L312p Neerpelt),
slee (L312p Neerpelt),
ən slēj (L312p Neerpelt)
|
Een slede (waarmee de kinderen op het ijs rijden). [ZND 31 (1939)] || Een slede (waarmee de kinderen op het ijs varen). [ZND B1 (1940sq)] || Slede. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 32811 |
sleepcultivator, veertandeg |
extirpator:
[extirpator] (L312p Neerpelt)
|
Bedoeld wordt het cultivatortype van afb. 79. Voor (delen van) varianten in de (...)-vorm zij verwezen naar het vorige lemma. In het lemma ''eg'' vindt men ''eg'' en ''eg'' geduid. [JG 1a + 1b; N 11, 78b; N 11A, 150b; N J, 10]
I-2
|
| 34294 |
sleephout |
sleephout:
slęi̯phǭu̯t (L312p Neerpelt)
|
Hout waaraan het tuiertouw of de tuierketting is bevestigd. Door dit slepend stuk hout voorkomt men dat koe of geit verstrikt raken in het touw of de ketting of dat zij bij de tuierpaal komen. [N 3A, 14h; N 14, 73b; JG 1c, 2c; monogr.]
I-11
|
| 17899 |
slepen |
slepen:
slęi̯.pǝ(n) (L312p Neerpelt)
|
De in dit lemma bijeengebrachte termen betreffen het bewerken van de akker met een sleep, om de grond gelijk te trekken, aardkluiten te verbrijzelen of fijn zaad in de grond te werken, alsmede het slepen van weiland, om mestplakken en molshopen te verbreiden en/of gestrooide mest over de grasmat uit te strijken. Hoe de hieronder voorkomende vormen ''eg'' + ''eg'' en ''eggen'' + ''eggen'' verstaan moeten worden, is aangegeven in de lemmata ''eg'' en ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 81 + 85; N 11A, 173c + 180; S 33; L 6, 66; div.; monogr.]
I-2
|
| 24535 |
sleutelbloem |
sleutelbloem:
-
sleutelbloem (L312p Neerpelt),
sleutelbloemetje:
-
sleutelblymke (L312p Neerpelt)
|
sleutelbloem [ZND 34 (1940)]
III-4-3
|
| 19801 |
sleutelbos |
sleutels:
sleutels (L312p Neerpelt)
|
Een bos sleutels. Wil u de dialectische benamingen van de volgende voorwerpen opgeven: een bos sleutels [ZND 45 (1946)]
III-2-1
|
| 34180 |
slijm bij de nageboorte |
slibber:
slebǝr (L312p Neerpelt)
|
Kleverige slijm bij de nageboorte. [N 3A, 57b]
I-11
|