| 34111 |
sneb |
witte snuit:
wetǝ snuǝt (L312p Neerpelt)
|
Wit vlekje op de snuit van de koe. [N 3A, 137]
I-11
|
| 32880 |
snede van het blad van de zeis |
waat:
wǭ.ǝt (L312p Neerpelt)
|
De scherpe snijdende binnenzijde van het blad van de zeis. Zie afbeelding 5, nummer 4. Bedoeld is hier de algemene benaming voor de snijkant van de zeis. In sommige gebieden, met name in enkele dorpen tussen het waat-gebied (in het noorden van Belgisch Limburg) en het snede-gebied (in het zuiden ervan) wordt onderscheid gemaakt tussen de eigenlijke snede en het haarpad: de smalle rand die bij het haren op het zeisblad wordt geslagen en waarvan de snede het uiteinde vormt. Zie voor deze laatste het volgende lemma: ''haardpad''. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enquêtes in gebracht.' [N 18, 68d; JG 1a, 1b, 2c; add. uit N 17, 100; monogr.]
I-3
|
| 25192 |
sneeuwbui |
sneeuwbui:
snuwbuij
⁄snøwbø̄ij (L312p Neerpelt)
|
sneeuwbui, sneeuwvlaag [sneeuwvlei] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25137 |
sneeuwen |
sneeuwen:
snyəwən (L312p Neerpelt)
|
sneeuwen [ZND B2 (1940sq)]
III-4-4
|
| 20115 |
sneeuwklokje |
muguetje:
uu-getjes (L312p Neerpelt),
sneeuwklokje:
sni:ewklukske (L312p Neerpelt)
|
sneeuwklokje [DC 56 (1981)]
III-4-3
|
| 25191 |
sneeuwx |
sneeuw:
snīēw (L312p Neerpelt),
snuw (m.)
snøw (L312p Neerpelt)
|
sneeuw [RND] || sneeuw [schimmel] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 21237 |
sneltrein |
expres (<fr.):
⁄n expres (L312p Neerpelt),
sneltrein:
⁄n sneltrein (L312p Neerpelt)
|
Sneltrein. [ZND 35 (1941)]
III-3-1
|
| 19040 |
snikken |
beuken:
Meest gebruikt.
bøkə (L312p Neerpelt),
janken:
Meest gebruikt.
jaŋkə (L312p Neerpelt),
snoffen:
snofə (L312p Neerpelt),
snotteren:
snoͅtərə (L312p Neerpelt)
|
snikken [snoffe] [N 10 (1961)]
III-1-4
|
| 20590 |
snoepen |
sneuken:
snøi̯kən (L312p Neerpelt)
|
snoepen [ZND B1 (1940sq)]
III-2-3
|
| 33996 |
snoer |
koord:
kōrt (L312p Neerpelt)
|
Bewegend deel van de zweep dat aan de steel bevestigd is. Een aantal informanten verdeelt het snoer nog in een onderste gedeelte dat aan de stok bevestigd is, en een dunner (gevlochten) gedeelte, waaraan de kletsoor bevestigd is. De benamingen die met zekerheid refereren aan dat dunnere gedeelte, worden apart vermeld. [N 13, 95b; S 47; R 14, 20; monogr.]
I-10
|