| 17642 |
stuitbeen |
kontbeen:
kontbiən (L312p Neerpelt)
|
stuitbeen [gatschenk, stietje, startschroef] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25198 |
stuiven van droog zand of stof |
stoffen:
t stoft
ət stoft (L312p Neerpelt)
|
beginnen te stuiven (er waait droog en fijn zand rond bij winderig weer] [stieven, smoren, mouwen, stobberen, stubbelen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 21630 |
stuiver (belg.) |
stuiver:
ps. omgespeld volgens Frings. Het -tekentje heb ik letterlijk overgenomen.
⁄støvər (L312p Neerpelt)
|
Betekenis en uitspraak van: stuiver? Uitspraak en betekenis. [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 33643 |
stuk grond |
stuk grond:
stø.k gront (L312p Neerpelt),
støk grǭnt (L312p Neerpelt)
|
Een stuk land, een perceel grond, in het algemeen. [N 27, 2a en 5; Vld.; N 11A, 106 add.; monogr.]
I-8
|
| 33712 |
stuk onontgonnen grond |
braakgrond:
brakgrōnt (L312p Neerpelt),
brākgrǭnt (L312p Neerpelt),
hei:
hē̜i̯ (L312p Neerpelt)
|
Een stuk woeste grond, nog niet ontgonnen hei, veen of moeras. [N 27, 4a; N 11, 6; N 11A, 112; ALE 254]
I-8
|
| 34023 |
stuks -vee |
beesten:
bīǝstǝ (L312p Neerpelt),
stuks (vee):
støks (L312p Neerpelt)
|
Een boer heeft 10, 12, 14 enz. stuks vee. [N 3A, 2]
I-11
|
| 33230 |
suikerbiet |
biet:
biǝt (L312p Neerpelt),
suikerbiet:
sǫkǝrbit (L312p Neerpelt),
sǫkǝrbiǝt (L312p Neerpelt)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris, var. altissima. De suikerbiet is een veredeling van de voederbiet met een groot aandeel suikers in de vaste bestanddelen en dateert van het begin van de twintigste eeuw. De knol groeit helemaal onder de grond en gedijt het best op kleigronden. Het is één van de belangrijkste cultuurgewassen op de leemhoudende gronden in Limburg en levert de grondstoffen voor de stroopfabricage en voor de suikerindustrie in Haspengouw. De volgorde van de varianten is zoals steeds eerst naar het tweede element (biet, kroot, enz.); daarbinnen naar de varianten van suiker-; naar het vocalisme zijn in dit eerst lid drie groepen te onderscheiden, die wijzen op verschillende ontleningslagen, corresponderend aan de Nederlandse (ø̜i̯) van ɛsuikerɛ, aan de Duitse (u) van ɛZuckerɛ en aan de Franse (y) van ɛsucreɛ. [N 12, 37; N 12A, 2; A 13, 2c; A 49, 3; L B2, 361; L 43, 4a; R 3, 97; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 20785 |
suikerbrood |
suikerbrood:
soͅkərbruu̯ət (L312p Neerpelt)
|
brood waarin suiker gebakken wordt [N 29 (1967)]
III-2-3
|
| 23590 |
suisse |
suisse (fr.):
suisse (L312p Neerpelt)
|
De ordebewaarder in de kerk, de suisse [kerkgendarme, kèrksjanderm, tseijes?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17735 |
suizen van de oren |
tuiten:
mən uərə tuwtə (L312p Neerpelt)
|
suizen van de oren [toewte, fluite] [N 10 (1961)]
III-1-1
|